zaterdag 14 oktober 2017

Dienstweigeraars in Steenderen anno 1784


Ooit werd er om de zoveel jaar een lijst weerbare mannen opgesteld, een soort reserveleger. Weerbaar wil zeggen strijdbaar, oftewel de juiste leeftijd hebben om in dienst te gaan. In 1784 was het in Steenderen weer zover. In een Resolutie der Heren Staten dezer provincie was bepaald dat op die lijst alle manspersonen onder het ambt Steenderen van 18 tot 50 jaar oud vermeld moesten worden, benevens van minder of meerder jaren, alsmede van zodanige huisgezinnen, waarin zodanige personen niet gevonden worden. Voorts aantekening van de paarden.

Voor zover ik gezien heb, lijkt het er in de praktijk vooral op neer te komen, dat de weerbare mannen van tijd tot tijd opgeroepen worden mee te helpen bij het onderhoud van de gemene herenwegen, oftewel de openbare wegen (heer of heir = leger). Die moeten steeds in goede staat verkeren, zodat het leger zich indien nodig vlot kan verplaatsen.

Ambt Steenderen is onderverdeeld in 15 ‘rotten’, dat wil zeggen groepen huisgezinnen. Elke rot heeft een rotmeester, de leider. Hij is degene die om de zo veel tijd de Lijst weerbare mannen van zijn rot moet vaststellen. Het Bevolkingsregister bestaat nog niet. Zodra een weg of een brug gerepareerd moet worden, roept de rotmeester zijn mannen op. Die worden geacht ter plaatse te verschijnen met eigen schop, paard en/of kar. Meehelpen is verplicht, al komt niet altijd iedereen opdraven. Op verzuim is dan ook een boete gesteld van twee daalder.

Jan Schepens is één van de rotmeesters die in 1784 in Steenderen langs de deuren moet om per huis te noteren hoeveel mannen, jongens en paarden er wonen. De reacties die hij daarbij van de bewoners krijgt, zijn niet altijd prettig. Zo bijt de vrouw van Willem Jansen in Baak hem toe: Ik wou dat gij in brand stond, zo gauw gij buiten het huis komt. Maar vooral in de Luur en op Rha is de weerstand groot.

In de Luur is rotmeester Gerrit Sloot[1] zodanig bedreigd, dat hij de optekening van de weerbare mannen in de Luur weigert. Hij wil zijn botten niet in stukken geslagen hebben. Een dag eerder zijn er mensen aan zijn huis geweest die hem daarvoor gewaarschuwd hebben.
Ook rotmeester Jan Jansen[2] van Rha weigert. Tegen hem zijn de afgelopen zondag op de Kerkweg enkele bedreigingen geuit. De plaatselijke rechter, A.J. Aberson, heeft toen in deze twee ‘rotten’ de klus zelf maar geklaard.
Zo zie je maar: om mensen te bedreigen heb je Twitter helemaal niet nodig.

Stukje uit de originele tekst op de Lijst weerbare mannen anno 1784: ‘dat hij zijn botten niet wilde in stukken geslagen hebben…’
Vanwaar dit verzet? Speelde de politiek een rol? Of het geloof? De drie genoemde rotmeesters zijn alle rooms-katholiek, en ook de hieronder genoemde familie Medse. En waarom vooral in de Luur en op Rha? Voor de betrokken rotmeesters zal het lastig geweest zijn. De weigeraars met wie ze te maken hebben, zijn hun eigen buren, mensen die men geregeld ziet en met wie men te maken heeft tijdens de gebruikelijke burenhulp.

Ook eerder in dat jaar 1784 is rotmeester Jan Jansen van Rha verwikkeld in een kwestie. In mei krijgt hij van rechter Aberson de opdracht zijn rot op te roepen om de weg bij de Punderikse brug[3] te repareren. De groep mannen moet op 24 mei verschijnen, ’s morgens om 8 uur. Aberson heeft de betrokkenen van te voren goed geïnformeerd, daar kan het niet aan liggen, maar …. niemand komt.
Jan Jansen haalt de rechter erbij. Die ontdekt dat de betrokken mannen wel degelijk aan het werk zijn, maar … even verderop, op een andere plek: aan de weg achter de Bedelbrug[4] bij de Papekamp. Rechter Aberson stapt op hen af en vraagt wie daar opdracht toe heeft gegeven. Dat blijken twee markemeesters te zijn van de Rhase marke[5].

De tegenwoordige uitwateringssluis met de naam Bedelbrug in de J.F. Oltmansstraat, sinds 2011 op de monumentenlijst van de gemeente Bronckhorst (bron: watererfgoed.wrij.nl)
Men heeft dus botweg het rechterlijke bevel genegeerd. Bij de Bedelbrug lopen de emoties hoog op. Jan Medse, zoon van wijlen Teunis Medse[6], een van de leden van het rot van Rha, neemt het woord en zegt op een zeer impertinente en brutale wijze tegen de rechter: Dat raakt u niet, daar leidt u niet aan gelegen, gij hebt hier niets te zeggen. 
Dit laat rechter Aberson niet op zich zitten. Hij schrijft meteen een brief aan de landdrost, de stadhouder én aan de advocaat-fiscaal (officier van Justitie), met daarin de namen van alle leden van de rot van Rha. Over het verdere verloop van deze zaak is mij helaas niets bekend.

Naast een bron van wederwaardigheden in het Steenderen van toen, is de Lijst Weerbare mannen een hulpmiddel bij het onderzoek naar voorouders. Omstreeks 1784 wonen rond Steenderen zeven van mijn vooroudergezinnen. Alle zeven vind ik terug in deze lijst, althans de mannelijke leden, zoals bijvoorbeeld Jan Harenberg (1716-1799) met zijn zonen Hendrik (1760-1830) en Gerrit (1767-1830). Het gezin valt onder Rot Baak.[7]

Jan Harenborgh out 72 jaren, Henderik Harenborgh out 23 jaren, Garret Harenborgh out 16 jaren, en 2 pa(a)rden
Over geen van de weerbare mannen onder mijn Steenderense voorouders heb ik een wanklank kunnen vinden. Zij gehoorzaamden keurig aan het gezag.

Bronnen:
·         Plaatselijk Bestuur Steenderen, Toegangsnr. 3033, inventarisnr. 29, Lijst Weerbare mannen jaar 1784. Vindplaats: Doetinchem, Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers (ECAL)
·         Oud Rechtelijk Archief (ORA) Landdrostambt Zutphen (LAZ) Richterambt Steenderen (RS) Breukenprotocol, Toegang 3021, Inventarisnr. 788. Vindplaats: ECAL
·         Anton Metz, De Luur en de Emmer, OSGB 2013

Eerdere versies van dit artikel verschenen in:
·         De Zwerfsteen, periodieke uitgave van de Historische Vereniging Steenderen, 2017-1
·         OTGB - Oostgelders Tijdschrift voor Genealogie en Boerderijonderzoek, 2017-3


[1]Gerrit Sloot woont op Bussersgoed, Eekstraat 7
[2] Jan Jansen woont op De Hof te Rha, Prinsenmaatweg 10. De bewoners anno 2014 zijn rechtstreekse afstammelingen van hem.
[3] De brug over de Kleine Beek in de J.F. Oltmansstraat
[4] De brug in deze zelfde straat over de Grote Beek
[5] Een marke is een collectief van grotere boeren die gezamenlijk het beheer en gebruik van hun gemeenschappelijke gronden reguleren. In 1834 is de marke van Rha verdeeld onder de eigenaren. Daarmee kwam er een eind aan het gezamenlijke bezit.
[6] Deze familie Medse, later Metz genaamd, woont op Rodenburg, Rhabergseweg 9, en wel van ca. 1600 tot ca. 2000.
[7] Deze tak van de familie Harenberg woonde op Harenberg, Schooldijk 6, Baak

woensdag 14 juni 2017

De losse handjes van de Heer van Holthuizen

Het is 23 juni in het jaar 1786. Even voor zonsondergang loopt de 9-jarige Hendrik tijdens het hoeden van twee koeien op de Leemstraat in de richting van de Kruisbrink in Toldijk. De koeien zijn van boer Hendrik Jan Smeenk, bij wie Hendrik inwoont als koeienhoeder. Kinderarbeid, zouden we tegenwoordig zeggen.

Daar is ook baron Gerrit (G.J.J.A.A.) van Dorth tot Holthuizen en Harreveld (geb. 1755). De baron woont in Harreveld, maar verblijft geregeld op zijn Huize Holthuizen bij Toldijk en toert dan zo af en toe wat met zijn rijtuig door de omgeving. Dit keer samen met zijn zuster Judith, hun vader en een knecht.

Het jongetje en baron Gerrit treffen elkaar. De Heer van Holthuizen stapt uit het rijtuig, loopt naar Hendrik toe en … begint hem met een zweep te slaan. Zo maar, zonder aanleiding. De jongen houdt er meerdere striemen op zijn rug en blote benen aan over. ’s Avonds laat klaagt Hendrik nog steeds over ‘pijn en smerte’. Boer Smeenk heeft het allemaal vanuit de verte zien gebeuren. Een andere getuige zegt het slaan en geknap van de zweep en het gekerm en geroep van het jongetje gehoord te hebben.
Na het slaan klimt de Heer van Holthuizen weer op de wagen waarop zijn medepassagiers tijdens het voorval rustig zijn blijven zitten, en rijdt weg.

Twee jaar later is er weer zo’n voorval. Ditmaal speelt het zich af ‘in de Kruisbrinksestraat aan het einde van de dijk van Jan Russersplaats, alwaar die van den Toldijk altoos gehoed hebben’.
‘Wat doet gij duivels hier’ roept baron Gerrit tegen de toevallig passerende Evert, ook een koeienhoedertje. De Heer probeert een stok uit de handen van een van de andere hoeders te pakken en grijpt de man daartoe bij zijn haren. ‘Tevens deze getuige aangrijpende in de pruik’, zo staat in het verslag van deze gebeurtenis.
De man reageert onderkoeld met te zeggen: ‘mijn Heer, het is nu tijd om los te laten’. Dat doet de Heer warempel en roept vervolgens naar een knecht in zijn rijtuig om hem zijn degen te brengen. Zodra de baron die in handen heeft, zegt hij tegen het jongetje: ‘gij duivels zult u verpakken’ en slaat het kind dan ‘zo lang over de rug, schouder en arm (…) dat de degen in stukken ging.’ Daarop raapt hij de brokstukken op en de hoed van het jongetje, en gaat ermee terug naar zijn koets. De rechterarm van het kind blijkt ‘dik en blond’ geslagen.

Breukenprotocol 11 juni 1788
Zo maar twee voorbeelden van de keren dat aangifte tegen de baron is gedaan vanwege zijn agressie. En aangifte doen tegen een Heer, dat deed je als ‘gewone man’ in die tijd niet zo snel. Wat de baron bezielt, zullen we nooit weten. En waarom grijpen zijn vader en zuster niet in?

Wel is het voor hem en zijn mede-edellieden een zware tijd. In Frankrijk broeit de revolutie al, en ook in Nederland loopt de feodale tijd op zijn laatste benen. De adel verarmt en moet noodgedwongen veel boerderijen en land verkopen. Menig pachter verandert in die tijd in eigenaar.

Ook baron Gerrit van Dorth verkoopt vanaf 1790 diverse bezittingen. Zijn ‘Huize Holthuizen’ is in 1798 aan de beurt. Dit nadat er inmiddels al meerdere keren door diverse schuldeisers beslag (‘peinding’) op is gelegd. Maar hieraan is naast de tijdgeest ook zijn eigen levenswandel debet.

De oorspronkelijke Havezate Holthuizen lag rechtsachter de huidige gelijknamige boerderij met als adres Toldijkseweg 39 te Steenderen. Deze havezate is in 1673 verwoest. Er rest slechts een ‘eilandje’ met grotendeels dichtgegooide grachten. Wat er in 1786 precies aan behuizing staat, is niet bekend. Wel dat het om een huis gaat met een bovenverdieping met meerdere kamers. Op de afbeelding zien we Toldijk vanuit de lucht. Onderaan de Kruisbrinkseweg, rechts de ZE-weg (Zutphen-Emmerikseweg). De blauwe stippellijn geeft de vroegere Russerdijk aan. Linksboven in de cirkel de plek waar ooit Havezate/Huize Holthuizen stond.

Toldijk vanuit de lucht. De stippellijn geeft de voormalige Russerdijk aan (Google Maps)
In het najaar van 1797 is Huize Holthuizen nog eigendom van baron Gerrit van Dorth. Hij woont er echter niet. Zijn tuinman Hendrik Garritsen (geen familie) woont op het terrein, samen met zijn vrouw Harmina Ensink en dochter Geertruida. Hendrik is meteen ook ‘waartsman’ oftewel huisbewaarder.

In november van dat jaar 1797 zijn er op Holthuizen heimelijk spullen afgeleverd en gestald, waaronder boeken die op ’t Velde in Warnsveld (de woonstee van baron Gerrits vader) ‘onder gerechtelijke bewaring’ waren gesteld. Waarschijnlijk gaat het om boeken die de Franse overheersers niet welgezind zijn (vanaf 1795 wordt Nederland door de Fransen bezet).

Een maand later wordt op Holthuizen door een onbekende een briefje zonder afzender afgeleverd ‘waarvan de hand niet bekend is’ (het handschrift is onbekend). Daarop staat dat de goederen ‘ten spoedigsten’ naar Harreveld gebracht moeten worden, waar baron Gerrit woont. Dat gebeurt op 25 november, ’s morgens vroeg. Tuinmansdochter Geertruida haalt de boeken naar beneden vanuit ‘een bovenkamer van Holthuizen, zijnde de eerste deur aan de linkerhand’. Dat doet ze met haar schort, want, zo staat er, ‘het zijn er wel twee à drie schorteldoeken vol’. Beneden in de voorkamer verpakt ze de boeken deels in een soort kist of turfbak zonder deksel, en deels in een mand.

De tuinman sommeert Esken Huetink de vracht naar Harreveld brengen. Esken is op dat moment ‘den bouwman tot Holthuizen’ oftewel pachter van boerderij en land die tot Holthuizen behoort. Hij móet deze klus wel klaren, want hij is ‘volgens pachtconditie verplicht de Heer van Dorth tot Holthuizen enige dagen met wagen en paarden te dienen.’ Esken neemt zijn knecht mee, Willem Gaikhorst, broer van zijn schoonmoeder en wonend onder Hummelo. Esken heeft de pech dat de weg naar Harreveld in die tijd ‘zeer kwaad was te gebruiken’, oftewel in zeer slechte conditie is.

Justitie neemt de zaak van de boeken hoog op. Alle betrokkenen worden in het voorjaar van 1798 uitgebreid gehoord. In zijn eerste verhoor weet de tuinman niet of nauwelijks dat er ook boeken tot de gebrachte goederen behoren. In het tweede vertelt hij meer. Waarom hij dat niet tijdens de eerste ondervraging heeft verteld? Hendrik Garritsen antwoordt op die vraag dat ‘hem zulks toen niet te binnen is gekomen’. Ook weet de tuinman niet wie opdracht heeft gegeven de spullen naar Harreveld te brengen, maar hij vermoedt dat het de Heer van Dorth is. ‘Maar de goederen die zich in het huis bevinden, staan toch onder uw toezicht en verantwoordelijkheid als waartsman?’ ‘Ja, zo lang dezelve aldaar zijn’, antwoordt Hendrik.

Zoals gemeld, moet baron Van Dorth in 1798 ‘de gewezen havezate’ Holthuizen noodgedwongen verkopen. Koper is de eerdergenoemde Esken Huetink (1751-1832). Hij is geboren op boerderij de Vree (J.F. Oltmansstraat 17 te Steenderen). Zijn ouders zijn Otto Huetink en Johanna Arends, veermansdochter uit Bronkhorst. Dat paar is broer en zus van mijn voorouders Garrit Arends en Anna Maria Huetink.

Esken (een kleinzoon van mijn voorvader Esken Huetink, zie artikel Twee voorvaders met een different) is getrouwd met Harmina Weenk (1772-1816). Bij de dopen van hun kinderen die zijn geboren t/m begin 1798 staat als woonplek de buurtschap Covik genoteerd (daar viel zijn pachtboerderij kennelijk onder), het eerstvolgende kind wordt in mei 1799 geboren ‘op Holthuizen.’
Het gezin woont er samen in één huis met Goswinus Geurtsen (1741-1810) en zijn vrouw Janna Freriks Gaikhorst (1737-1804). Het is een bijzondere familiesituatie. Goswinus is een stiefbroer van Esken en Janna is de moeder van Eskens vrouw Harmina. Zo is Goswinus niet alleen Eskens stiefbroer, maar ook zijn stiefschoonvader. En Janna is zowel zijn stiefschoonzus als zijn stiefschoonmoeder.

Ten tijde van het incident in 1786, toen baron Gerrit het jongetje toetakelde, zat zoals gezegd zijn zuster, freule Judith van Dorth (1747-1799) ook in het rijtuig. Zij is actief betrokken bij de politieke strijd die aan het einde van de 18e eeuw woedt tussen de orangisten (aanhangers van de bestaande regeringsvorm in Nederland, i.c. de stadhouder) en de patriotten (hervormingsgezinden, gesteund door de Fransen).

Judith is een fervent orangist. Die zijn echter aan de verliezende hand sinds een Franse legermacht in de Achterhoek is neergestreken. Vanwege haar politieke actie heeft ze in 1798 al gevangen gezeten, maar is toen ‘uit haar detentie ontvlucht’.
In 1799 loopt het anders af. Een vooraanstaand patriot is onder verdachte omstandigheden gestorven in een herberg in Lichtenvoorde. Naar aanleiding daarvan verkondigt Judith: ‘Zo moet het gaan! Er moeten er meer kapot, dit is er nog maar één.’
En in Groenlo toont ze openlijk haar waardering voor de gewelddadige dood van een bekende patriot en bedreigt ze een voorstander van de Bataafse republiek. Daarop wordt ze van oproerstokerij beschuldigd, opgepakt en voor de militaire rechtbank te Arnhem geleid. De militáire rechtbank vanwege de staat van beleg die toen gold. De rechters vinden dat er een voorbeeld gesteld moet worden. Judith, die zo duidelijk partij heeft gekozen voor het oude bewind, is daarvoor de aangewezen persoon. Ze veroordelen haar tot de doodstraf.

Kort voor de executie schrijft ze een afscheidsbrief aan haar goede vriend C.C. Stumph, burgemeester van Aalten.
'Mijn waarde vriend, Ik bedank u zeer voor alle vriendelijkheid aan mij bewezen in dit leven. Ik schrijf deze om 4 uur, dus 7 uur voordat mij het door een kogel zal benomen worden. De reis van Groenlo enz. enz. is oorzaak van mijn dood. Ik vind in dezelve een verzoend God. Troost, mijn ongelukkige broeder die mij tot in de dood benauwd. Weest zo goed en zegt een eeuwig vaarwel aan alle mijn bekenden'.

Afscheidsbrief van Judith van Dorth
Op 22 november 1799 wordt het vonnis voltrokken op de joodse begraafplaats in Winterswijk door een vuurpeloton van zes man sterk. Het verhaal gaat dat ze zich, liggend in haar kist, nog eenmaal opricht. Door het daaropvolgende genadeschot vliegt haar jurk in brand. De soldaten moeten in hun steken water halen om het vuur te blussen.
Voor zover bekend is zij tot 1948 de enige vrouw in de Nederlandse geschiedenis die om politieke redenen is terechtgesteld (in dat laatste jaar is de ‘jodenjaagster’ Ans van Dijk geëxecuteerd).

De definitieve executie van Judith van Dorth in 1799 te Winterswijk, getekend door Reinier Vinkeles

De vader van Gerrit en Judith, Jan A.H.S. van Dorth, heer van ’t Velde en Holthuizen (1720-1798), werd naar verluidt door zijn pachters ‘de gevleesde duivel’ genoemd. Dit vanwege zijn afpersingen en knevelarijen. Als hobby scheen hij vanuit ’t Velde in Warnsveld op passanten te schieten. Een familie met moeilijke karakters dus. Vandaar waarschijnlijk dat de geslagen jongetjes van deze zijde geen hulp hebben gekregen.

Waar precies liet baron Gerrit zijn handen wapperen? Bij het hierboven als eerste beschreven geval wordt de Leemstraat als ‘plaats-delict’ genoemd, ‘in de richting van de Kruisbrink’. Bij het tweede lezen we over ‘de Kruisbrinksestraat, aan het einde van de dijk van Jan Russersplaats, alwaar die van den Toldijk altoos gehoed hebben’.

Met de Kruisbrink wordt niet Boerderij De Kruisbrink bedoeld. Deze rond 1965 afgebroken voorloper van de huidige gelijknamige boerderijwinkel (Kruisbrinkseweg 7, Toldijk) staat er dan nog niet. Die wordt pas in 1869 gebouwd door mijn voormoeder Hendrica Teunissen (1805-1885), weduwe van Harmen Garritsen (1802-1857). Dit speciaal voor haar tweede zoon Peter Herman (1845-1928), de overgrootvader van de huidige bewoner, Dick Garritsen. Haar andere zoon, mijn voorvader Arend Gerhard (1840-1910), blijft op het oudershuis, de Grote Hietcole (Hoogstraat 10, Toldijk).

De Kruisbrink anno 1957, Kruisbrinkseweg 7, Toldijk (Collectie Nel Garritsen)
Boerderij De Kruisbrink is dus vernoemd naar het gebied. Het woord Brink staat voor een gemeenschappelijk gebruikt stuk grond. Zoals we uit het verhaal kunnen concluderen, lieten de bewoners van Toldijk daar hun koeien grazen, onder het wakend oog van koeienhoeders. Vanaf 1843 heeft mijn voorvader Harmen Garritsen daar in fasen stukken grond gekocht. Het gebied zal toen zijn functie als brink inmiddels verloren hebben.

Met ‘het einde van de dijk van Jan Russersplaats’ zal de Russerdijk bedoeld zijn. Deze dijk is in die tijd de toegangsweg naar Holthuizen vanaf de Zutphen-Emmerikseweg (toen Toldijk of Tolstraat geheten). Het begin ervan lag zo’n 15 meter ten noorden van de huidige Russerweg. In de beukenhaag aldaar staan twee betonnen palen die de exacte plek markeren.

De Russerdijk met Gerrit Groot Roessink, ca. 1965 (collectie Bertus Rietberg)
En tenslotte de ‘Jan Russersplaats’. Dat is een boerderij die ten noorden van de Russerdijk lag, aan de huidige ZE-weg. Ook wel de Grote Russer genoemd. De bewoner is in die tijd Jan Russer (1750-1815), (alweer) een voorvader van mij. Hij is getrouwd met Johanna Revelman (1754-1823).
De naam Russer komt tot op de dag van vandaag in Toldijk voor. We zien hem in de Russerweg, een huis met als naam ‘De Russer’ (Zutphen-Emmerikseweg 67) en in de veldnaam ‘op de Russer’. Toch woont er niemand meer met Russer als achternaam.

Met dank aan Bertus Rietberg

Bronnen
·         P.A.M. van den Berg, Gezinsreconstructies Steenderen 1678-1811
·         Doop-, Trouw- en Begraafboeken
·         Jan Harenberg, De Havezathe Holthuysen bij Steenderen, De Zwerfsteen 1996-1
·         Jan Kuijk, … stierf de oranje freule voor het vuurpeleton, Dagblad Trouw, 11-02-2002
·         Oud Rechtelijk Archief (ORA) Landdrostambt Zutphen (LAZ) Richterambt Steenderen (RS) Breukenprotocol, Toegang 3021, Inventarisnummer 788, data 24-06-1786 en 11-06-1788
·         ORA LAZ RS Interrogatoria, informatiën en kondschappen, 3021/785, data 05-03-1798, 08 en 26-03-1798, 12-04-1798
·         ORA LAZ RS Tafel Toldijk, Protocol van opdrachten, kentenissen, pandschappen, alsmede renteverschrijvingen, 3021/668
·         www.historici.nl
En Gelders Archief: www.stukvanhetjaar.nl/nl/geldersarchief

Dit artikel verscheen eerder in:
·                     De Zwerfsteen, periodieke uitgave van de Historische Vereniging Steenderen, 2016-4
·                     OTGB - Oostgelders Tijdschrift voor Genealogie en Boerderijonderzoek, 2017-2

vrijdag 25 november 2016

Conversatie, slagerij en bouwvak: hun betekenis toen en nu

Woorden veranderen in de loop van de tijd nog wel eens van betekenis, soms een beetje, soms rigoureus. Tijdens mijn genealogisch onderzoek kwam ik enkele aardige voorbeelden tegen. Ik noem er hieronder drie.

Om te beginnen een enigszins pikant geval. Werd met het woord ‘conversatie’ tot voor kort een gesprek bedoeld, een mondelinge conversatie, tegenwoordig duikt het op in de betekenis van contact via digitale media. Zo vertelde Gmail mij tot voor kort, nadat ik een mailtje had weggegooid: ‘de conversatie is verplaatst naar de prullenbak’. En er is zelfs een ziekenhuis dat een conversatiecoördinator in dienst heeft. Hij heeft als taak te adviseren op het gebied van omgang met digitale media.
Maar zo rond 1684 staat het woord voor iets heel anders. In dat jaar zie ik in een akte ene Berend Coops voor het gerecht van Hengelo (Gld) verschijnen om zich aldaar te verdedigen tegen de volgens hem valse beschuldiging dat hij ‘enige conversatie met een varken’ gehad zou hebben.



Ook het woord slagerij heeft oorspronkelijk een andere betekenis. Na een snelle lezing van een akte uit 1788 concludeerde ik dat een broer van een voorvader, Evert Wantink in Baak, een slagerij had. Een leuk weetje. Ik zag de man al op een groot vierkant hakblok op een ribbenkast staan houwen.
Totdat ik de akte beter las: het bleek om een vechtpartij te gaan die plaats had in zijn huis, en wel tussen zijn knecht en een toevallige aanwezige. Daarbij heeft de knecht bij zijn slachtoffer ‘met een mes over de neus en de wang tot aan ’t oor een zware wonde toegebracht’.
Het woord slagerij komt van slaan. Denk aan een pak slaag. Het wemelde vroeger van de slagerijen. Vooral in de buurt van cafés.
Onze huidige slager werd ‘slachter’ of 'vleeshouwer' genoemd.



Het derde voorbeeld heeft betrekking op het woord ‘bouwvak’. Bij de volgende kwestie liep ik op tegen het oorspronkelijke gebruik van de woorden ‘bouw’ en ‘vakantie’.
Mijn voormoeder Aaltje ter Meulen en haar tweede man Otto Jansen wonen begin 1700 op boerderij Huetink in Steenderen (huidige locatie: J.F. Oltmansstraat 15). Ze hebben een deel van hun land verpacht aan ene Evert Gerrits, het perceel met de naam De Hoge Molenkolk. Evert heeft de pacht echter al twee jaar niet betaald. En dat terwijl Otto nog wel middels ‘zoveel goedlijke aanmaninge en minnelijke instantiën’ geprobeerd heeft zijn geld te krijgen, aldus de stukken.
Daarom vragen Aaltje en Otto op 15 augustus 1713 aan de rechter beslag te leggen op het zaadgewas dat op genoemde akker staat. De rechter staat dit toe. Voor het geval Evert Gerrits echter ‘in oppositie komt’, mocht hij het er niet mee eens zijn, dan kan hij op de eerstvolgende gerechtsdag bezwaar aantekenen. Die ‘dag’ is echter pas zes weken later, op 2 oktober. Dit vanwege ‘de vakantie van de bouw’.


Kennen ze rond 1700 de bouwvak(antie) dan al, en nog wel eentje van maar liefst zes weken? Nee, integendeel zelfs. Dit heeft niets te maken met onze ‘bouwvak’, de inmiddels niet meer verplichte, centraal geregelde vakantie voor de bouwsector. En ook niet met vrij zijn van school of werk, even helemaal niets hoeven, of met op vakantie gaan. Het woord betekent oorspronkelijk ‘vrij zijn van (bepaalde) verplichtingen’.
De vroegere betekenis van het woord ‘bouw’ zien we tegenwoordig nog terug in de woorden ‘landbouw’ en ‘bouwland’. Naar verluidt werd met het woord vooral gedoeld op de graanoogst. Zo gebruikte men in de regio Montferland tot zo’n 50 jaar geleden het woord nog in een zin als: ‘de bouw is dit jaar vroeg’.

Een boer werd ook nog lang ‘bouwman’ genoemd, zijn vrouw ‘bouwvrouw’ en een boerderij 'bouwplaats'. Het woord ‘boer’ is van relatief jonge datum.

Maar waarom ligt de rechtspraak dan toch zo lang stil? In die tijd, en dat loopt nog door tot in de 19e eeuw, wordt een rechter bijgestaan door ‘gerechtsmannen’. Dat zijn lekenrechters, mannen die deze functie bij toerbeurt vervullen. Op het platteland zijn dat vaak boeren. Bijna iedereen is daar in die tijd boer, ook al heeft men daarnaast soms een ander beroep, zoals herbergier of schoenmaker. Dus ook deze gerechtsmannen.

En boeren hebben in augustus en september geen tijd voor bijbaantjes. Ze moeten zelfs erg hard werken. In die periode moet de oogst binnengehaald worden, en wel met mens en paard. Alles gebeurt met de hand. Tractoren en andere landbouwmachines zijn er nog niet. Dus er kan geen sprake zijn van vakantie, integendeel: er heerst juist topdrukte.
Zelfs de plaatselijke rechtspraak moet er voor wijken. En ook de scholen zijn gesloten, want uiteraard helpen ook de kinderen mee.

Pieter Breughel II, Zomer, 1623



Een eerdere versie van het laatste deel van dit artikel verscheen onder de titel ‘Vakantie van de bouw’ rond 1700 in De Zwerfsteen, periodieke uitgave van de Historische Vereniging Steenderen, 2016-3

Met dank aan A.J.M. (Anton) Metz voor een waardevolle aanvulling bij het woord ‘bouw’

dinsdag 25 oktober 2016

Vier eeuwen herberg Den Bremer in Toldijk

Het is maandag 25 november 1782. ‘s Morgens vertrekt een groepje jongelui vanuit Toldijk naar Doetinchem voor een bezoek aan de markt. Eén van hen is Arend Gordinou de Gouberville, zoon van Herberg Den Bremer. Ze zullen de afstand van zo’n 13 km. te voet afgelegd hebben. Ook toen gingen jongeren graag op stap, maar festivals of popconcerten kende men nog niet. Alleen kermissen en ‘bier’. En markten dus.

Er gebeurt het volgende
Kennelijk gaat eenieder op de markt zijn eigen weg, want ze spreken af elkaar in de namiddag te treffen in herberg Het Loo. Deze herberg ligt aan de weg naar Keppel, op zo’n 400 ‘treden’ van Doetinchem. Het is er druk, zo tegen het einde van de marktdag. Een deel van de aanwezigen zit binnen, anderen staan buiten voor de deur. Bij de lindeboom, die er zo zonder blad troosteloos bij staat.

Ook Jan Roelofs uit Keppel en enkele Toldijkers staan voor de herberg. Ze kennen elkaar van gezicht. Na een tijdje roept Jan: ‘die uit Toldijk en Baak komen, dat zijn allemaal schelmen!’ Zomaar, zonder aanleiding. Dat laten de Toldijkers zich niet zeggen. Het is de aanleiding tot een fikse ruzie en ‘slagerij’, oftewel er wordt danig op losgeslagen, zowel met de hand als met stokken. De gasten die binnen zitten, horen het gekrakeel en komen één voor één nieuwsgierig naar buiten. Knokkende jonge mannen. Destijds was dat helemaal niet zo bijzonder, zeker niet na een pul bier. Maar toch het bekijken waard.

Arend van Den Bremer komt ook naar buiten. Hij blijft in de deuropening staan. Ook hij heeft een stok in zijn hand. Natuurlijk, wie loopt niet met een stok in die tijd. En dan opeens … midden in de mierenhoop van vechtende jongeren, valt Jan Roelofs uit Keppel dood neer. Drie dagen later wordt de 20-jarige Arend gearresteerd en in Steenderen in het ‘gerichtshuis’ in de ‘gerichtskamer’ opgesloten. Hij wordt er dag en nacht bewaakt.

Tijdens het verhoor door rechter Aberson verklaart Arend dat hij uiteraard weet dat Jan Roelofs tijdens de ruzie ‘dood is gebleven’, maar hij heeft dat niet met eigen ogen zien gebeuren. Volgens hem was er ook geen sprake van ‘haat, vijandschap of ruzie’ tussen hem en Jan.
Zo’n acht getuigen worden onder ede gehoord. Weigert een opgeroepen getuige te verschijnen, dan kost hem dat 3000 goudguldens. Een zeer hoog bedrag, nog meer dan de herberg van zijn ouders in 1770 waard is, zo’n 2700 gulden (zonder de grond).

Ook de getuigen verklaren niet gezien te hebben dat de twee ruzie hadden. Wel zagen ze dat een en ander ‘in ’t honderd’ aan het lopen was, in het groepje jongens voor herberg Het Loo. Arend heeft ‘daartoe echter geen hand of voet uitgetrokken’. Hij had wel een stok in zijn hand, maar heeft daarmee niet geslagen.

Integendeel. Arend riep zelfs: ‘Mijn God, jongens, wat slaat gij. Houd toch op, en ziet toe wat gij doet.’ Op de vraag of de getuigen ooit gezien hebben dat Arend ‘beschonken of door de drank onbekwaam’ was, antwoorden ze als uit één mond: neen! Ze vinden hem allen ‘van zeer goed gedrag en levenswijze’.

'Mijn God, jongens, wat slaat gij. Houd toch op, en ziet toe, wat gij doet,...'

Op 4 december 1782, hij zit dan zes dagen gevangen, vraagt Arend het gerecht om vrijlating. De beëdigde getuigen hebben immers verklaard dat hij met de dood van Jan Roelofs niets te maken heeft. Bovendien ‘durft hij vrijelijk te verklaren, dat hij zich altijd als een braaf en eerlijk jongeling gedragen heeft, en dat er niets op zijn comportement en levenswijze te zeggen valt’. De rechtbank heeft geen bezwaar.
Toch wordt Arend niet vrijgelaten. Integendeel. Op 9 december worden nog twee andere getuigen gehoord. Ook zij pleiten Arend echter vrij.

Vier dagen voor kerst, na 23 dagen gevangenschap, komt dan toch het verlossende woord, en wel van de stadhouder van het landdrostambt van de Graafschap Zutphen. Arend wordt ontslagen uit zijn ‘civiele detentie’. En zo wordt het voor hem en zijn familie toch nog een mooi kerstfeest.

Kennelijk zit Justitie danig met de handen in het haar, want begin januari wordt opeens Arends broer Isaac van de doodslag beschuldigd. Op hoge poten begeeft hun moeder, Aaltje Harmsen, weduwe Gordinou de Gouberville, zich daarop van Toldijk naar Steenderen. Ze weet het gerecht aldaar gelukkig te overtuigen van Isaacs onschuld. Ook anderen worden later nog beschuldigd.

Wie is Arend Gordinou de Gouberville?
Arend stamt uit de familie Bremer, de familie die begin 1600 herberg Den Bremer in Toldijk bestiert. Mogelijk is de herberg (en de familie) al van veel oudere datum. Anno 2017 bestaat Den Bremer nog steeds. En ook wordt deze nog uitgebaat door afstammelingen van deze zelfde familie. Dus minimaal al vier eeuwen lang.

Den Bremer rond 1960

De achtereenvolgende uitbaters van Den Bremer
Bij gebrek aan vroegere gegevens, beginnen we de reeks bij Arend/Arnold Bremer.

Generatie 1. Zo vanaf 1620 is mijn voorvader Arend Bremer, ook wel Arnold genoemd (*ca. 1595-+ < 1661), de herbergier van ‘Bremers Huys’. Arend/Arnold is eerst getrouwd met mijn voormoeder Sibilla Haefkes, dochter van Willem Haefkes. Na haar overlijden hertrouwt hij met de nog jonge Agnies Jansen Keppelman (*voor 1633-+na 1669). Ze lijkt uit Doesburg te stammen.
Nadat op zijn beurt Arend/Arnold is overleden, neemt weduwe Agnies de scepter over. 

'Erschenen, Arnolt Bremer en Agnies Jansen, eheluijden...' 13 augustus 1653






Generatie 2. Agnies hertrouwt vervolgens met ene Jan Arends, die al gauw Jan Arends Bremer (*ca. 1640-+voor 1707) genoemd wordt. Zo gaat dat in die tijd. Familienamen liggen nog niet vast. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen bekend.

'... Agnies Keppelman, gewezen weduwe van zal. Aernt Bremer, nu getrouwt aan Jan Aerntssen...' 26 juli 1668

Agnies sterft en Jan Arends Bremer hertrouwt met Elsken Kirspensis (*ca. 1653-+na 1719), kleindochter uit het eerste huwelijk van Arend/Arnold Bremer met Sibilla Haefkes. Heel bijzonder: Jan hertrouwt dus met de stiefkleindochter van zijn eerste vrouw. Ook Jan en Elsken zijn voorouders van mij.

Arend/Arnold Bremer
 x(1)
Sibilla Haefkes

             v
x (2)
Agnies Jansen Keppelman

Geertruit Bremer
x
Jan Kirspensis

             v


Elsken Kirspensis
x (2)
Jan Arends Bremer x (1) Agnies Jansen Keppelman

Schema van de twee posities die Agnies Jansen achtereenvolgens inneemt
x = getrouwd met
v = kind van

Dit voorouderpaar krijgt zeven kinderen, waaronder slechts één zoon, Arend. Je zou zeggen: dat wordt de volgende herbergier. Maar deze Arend wil niet zo deugen. Menig keer komt hij voor het gerecht omdat zijn handjes weer eens los hebben gezeten. Moeder Elsken laat hem echter niet vallen. Tijdens een rechtszaak in 1717 staat ze zelfs borg voor hem. Ze is dan al zo’n 10 jaar weduwe. Arend zal niet oud geworden zijn. Zijn naam komen we in ieder geval later niet meer tegen.

Gelukkig zijn er nog de zes dochters. Dochter Arndje, van wie ik afstam, trouwt met Aalt Anderson, zoon van een Schotse soldaat. Het paar vertrekt naar Ellecom. Daarmee verlaat deze vooroudertak herberg Den Bremer. Hun dochter, mijn voormoeder Janna Anderson zal later terugkeren naar Toldijk en wonen op een boerderij met de naam Bremerstede (huidige locatie: Zutphen-Emmerikseweg 34). Deze boerderij heet niet voor niets zo. Ze komt uit het familiebezit van eerdergenoemde Bremers.

Generatie 3. Het lijkt erop dat de twee ongehuwde dochters van Jan en Elsken, Johanna (+na 1752) en Agnies Jansen (+1750), de dagelijkse leiding van hun ouders hebben overgenomen. De andere vier zussen blijven echter mede-eigenaar van de herberg. De grond waarop de herberg staat, is van oudsher eigendom van de Diaconie van Bronkhorst.
Na het overlijden van Agnies in 1750 bezinnen de andere zussen – inmiddels ook niet meer de jongsten - zich op de toekomst van de herberg. Gezamenlijk verkopen ze Den Bremer aan een zoon van zus Anna Sibilla Jansen: de in Zutphen geboren en getogen Johan/Jan Gordinou de Gouberville. De waarde van Den Bremer wordt daarbij als volgt getaxeerd (in guldens): huis 300; brouwhuis 50; brouwketel 169; die olde schuur 00; die nije peppeler schuur 55; den bargh (hooiberg) 12; die schup (soort schuur) 10; varkensschot (schuur) 15.

Generatie 4. De hierboven al genoemde Johan/Jan Gordinou de Gouberville (1727-1769) trouwt in 1757 met de Steenderense Aaltje Harmsen (*1719-+1807), dochter van Harmen Philipsen. Het paar krijgt drie kinderen: Isaac, Harmina en de later gedetineerde Arend. Johan/Jan sterft als Arend pas 6 jaar oud is, op 42-jarige leeftijd. Hij wordt begraven in de kerk. Aaltje hertrouwt een jaar later met de Zelhemse Derk Coops (1741-1780), zoon van Berend Coops. Ook Derk sterft voordat Arend volwassen is. Aaltje zelf wordt maar liefst 88 jaar oud. 

Deze zeer oude gietijzeren bel heeft het kapelletje gesierd dat ooit schuin tegenover Den Bremer stond. Daarna heeft de bel op het dak van de vroegere Den Bremer gestaan (1795-1960) en deed daar dienst als alarmbel. 

Generatie 5. Ook al is hij de jongste van de twee zonen, onze veelbesproken Arend Gordinou de Gouberville (1763-1827) wordt de volgende uitbater van Den Bremer. Dat is hij al op 21-jarige leeftijd, zo'n jaar na het voorval bij Doetinchem. 
Arend trouwt in 1786 met Aaltje Soerink (1764-1796), dochter van Roelof Soerink van de Covik. Er worden vier kinderen uit dit huwelijk geboren. In juli 1796 sterft Aaltje, 32 jaar oud. Ze wordt begraven in de kerk van Steenderen.
Nog in datzelfde jaar hertrouwt Arend met Everdina Koops (1769-1835), dochter van Jan Koops uit Zelhem. Uit dit tweede huwelijk worden zes kinderen geboren, waaronder de latere uitbaatster van Den Bremer, dochter Johanna Diderika. Arend sterft in 1827, 64 jaar oud.
Waarom Arends 6 jaar oudere broer Isaac de zaak niet heeft overgenomen, is onbekend. We zien dat Isaac soms op pad is vanwege ‘affaires’ (zaken). In 1781 vertrekt hij naar Amsterdam, waar hij in 1791 trouwt met de in Lochem geboren Johanna Dieperink.
Zuster Harmina trouwt in 1781 met Hendrik Keurschot, zoon van de schoolmeester van Bronkhorst.

Generatie 6. Aan Arends dochter Johanna Diderika Gordinou de Gouberville (1800-1864) de eer herberg Den Bremer over te nemen. Ook hier weer de vraag: waarom zij? Waarom niet één van de andere in totaal zeven (half)broers en twee (half)zussen? Zes van hen blijken (vrij) jong gestorven. Bij het overlijden van moeder Everdina in 1835 worden alleen genoemd: zus Jantjen, getrouwd met de Toldijkse schoolmeester Van Asselt (ze wonen in het schoolmeestershuis aan de Hoogstraat), en broer Gerhard Izaak, broodbakker in Westervoort. Uit het eerste huwelijk van vader Arend is dan alleen halfbroer Jan nog in leven. Hij is katoenspinner in Enschede.
Johanna trouwt in 1823 te Steenderen met Gerrit Jan Wunderink (1797-1873) uit Warnsveld. Hij is de zoon van Albert Wunderink, van beroep houtteler, en Anna Gardina Brinkmans.
Ook in 1864, bij het overlijden van Johanna Diderika, is de grond waarop Den Bremer staat nog deels van de ‘Provisorie (Diaconie) van Bronkhorst’. Wel bezit de familie in dat jaar in de omgeving zo’n 15 ha. Vreemd is dat niet: iedereen had destijds een boerderij, ook al is men bijvoorbeeld schoenmaker of, zoals hier, herbergier. Niet heel veel later zal ook de rest van de grond onder Den Bremer door de familie gekocht zijn, want zij weet niet beter dan dat deze ‘sinds mensenheugenis’ hun eigendom is. De 15 ha. zijn enkele generaties geleden verkocht.

Generatie 7. Zoon Peter Gerrit Jan Wunderink (1840-1925) neemt Den Bremer van zijn ouders over. Ook híj is tevens landbouwer. Dat beroep staat zelfs als enige genoteerd op het inschrijvingsbewijs uit 1859 voor de ‘Nationale Militie’, de toenmalige naam van het leger. Zelf is Peter Gerrit Jan niet in dienst geweest. In plaats daarvan heeft hij een ‘nommerwisselaar gesteld’. Dat wil zeggen dat hij tegen betaling iemand anders zijn dienstplicht heeft laten vervullen. Niet ongebruikelijk in die tijd voor wie het kan betalen. Peter trouwt in 1873 met Lammertjen Polman uit Drempt (1849-1907).
Ook hier is een oudere broer gepasseerd. Of mogelijk ziet deze broer Derk (1834-1893) er zelf van af omdat hij Herberg Den Dollenhoed onder Lochem/Barchem kan gaan uitbaten (anno 2016 Boetiekhotel Bon’Aparte). Derk is getrouwd met Gardina Garritsen, zuster van mijn overgrootvader Arend Gerhard (1840-1910).

Hierna blijft Den Bremer tot op de dag van vandaag overgaan van vader op zoon:
Generatie 8: Johan (1880-1940), in 1913 getrouwd met Reinetta Dina Vrieselaar uit Wisch (1879-1970).
Generatie 9: Bernard (1921-2005), in 1952 getrouwd met Reina Leneman (*1929)
Generatie 10: Johan (*1954), in 1977 getrouwd met Gerrie Aalderink (*1954)
Generatie 11: Jurgen (*1982), in 2010 getrouwd met Kristl Haggeman (*1982)

‘Vreemd’ bloed
Er stroomt zeker niet alleen Toldijks bloed in Den Bremer. Zo zagen we al dat er ingetrouwd is vanuit Zelhem, Warnsveld, Drempt en Wisch. Van een andere orde zijn de familienamen Kirspensis en Gordinou de Gouberville.
Mijn voormoeder Elsken Kirspensis en haar vader Jan, koster van de Steenderense kerk, stammen zeer waarschijnlijk uit het plaatsje Kierspe, regio Westfalen, Duitsland (zo’n 75 km. ten oosten van Keulen). In bepaalde kringen is het destijds mode de familienaam te verlatiniseren. ‘Van Kierspe’ wordt dan Ki(e)rspensis.
Jan Gordinou de Gouberville is de zoon van de Zutphense Isaac Gordinou de Gouberville (*1673-+voor 1729) en de eerdergenoemde Toldijkse Anna Sibilla Jansen. Isaacs vader en naamgenoot is militair en in 1664 in de garnizoensplaats Sluis (Zeeland) getrouwd met Roelofken Vinckenbergs. Waarschijnlijk bracht een overplaatsing hem van daar naar Zutphen.
Hoe komt deze familie aan een Franse achternaam? Het is niet onwaarschijnlijk dat Isaac of zijn vader tot de Hugenoten behoort die destijds uit Frankrijk gevlucht zijn. Hugenoten zijn aanhangers van Calvijn, oftewel protestanten. Voor hen was het in het katholieke Frankrijk van weleer niet veilig. Onder de vluchtelingen waren veel militairen.
Het achtervoegsel ‘de Gouberville’ wijst op een plaatsnaam: ‘van/uit Gouberville’. Het blijkt een gehucht aan de uiterste noordpunt van Normandië (Frankrijk) te zijn. Anders dan in Nederland wijst in Frankrijk een achternaam met ‘de’ (van) vaak op een adellijke afkomst. Hugenoten stammen nogal eens uit verarmde landadel.

Den Bremer toen en nu
Den Bremer, dan ‘Bremers Huys’ geheten, komen we voor het eerst in de stukken tegen rond 1600. Lang is het een herberg, een pleisterplaats voor man en paard. Men kan er zijn paarden verversen en zichzelf van eten, drinken en een bed voorzien. De herberg ligt aan de weg die de Hanzesteden Zutphen en Emmerik met elkaar verbindt, de tegenwoordige Zutphen-Emmerikseweg. De Hanze is een Noord-Europees handelsverbond dat dateert uit de 14e eeuw. Daarom is de herberg (en de uitbatende familie) dus mogelijk van nog veel eerdere datum.

De stoomtram bij de halte voor Den Bremer (1902-1954)

Van 1902 tot 1954 stopt de stoomtram Zutphen-Emmerik voor Den Bremer. Jarenlang staat er ook een varkenswaag. Men weegt er de varkens voordat deze naar de slachterij worden gebracht. Verder houdt de plaatselijke notaris geregeld publieke verkopingen in Den Bremer. ‘Aan den Bremer’, zoals men van oudsher zegt.
Anno 2016 is het een hedendaags café-restaurant annex zalencentrum.

Met dank aan Jurgen Wunderink


Eerdere versies van dit artikel verschenen in:
  •  De Zwerfsteen, periodieke uitgave van de Historische Vereniging Steenderen, 2016-1
  •  OTGB - Oostgelders Tijdschrift voor Genealogie en Boerderijonderzoek, 2016-3

zondag 7 augustus 2016

Een roer in Vorden als roerganger van mijn leven

Een geweerschot betekent vaak het einde van het leven van dier of mens. Heel bijzonder dat mede met zo’n wapen juist het stártschot van mijn leven is gegeven. In dit geval met een exemplaar van het type dat ‘roer’ wordt genoemd.

Het is begin oktober 1727, het jachtseizoen is net begonnen. Lambert op Enserink (1691-1727) in de buurtschap Veldwijk onder Vorden bereidt zich voor op een dagje struinen door de velden. Eerst maar eens zijn geweer klaarmaken. Hij vult het met kruit, in zijn enthousiasme met ietsje teveel. Dan gaat hij op weg. Na enige tijd duikt er een mogelijke prooi op. Tijd voor het eerste schot. Lambert legt aan, en …  dan gaat het mis. Met het afgaan van het geweer stoot de kolf door een terugslag keihard tegen zijn lichaam. Het gevolg van het teveel aan kruit. Lambert overleeft het niet.

Een (ganzen)roer (collectie Klaas Bakker, Vorden). Met een ganzenroer (doorsnee
 4 à 5 cm.) kun je een hele vlucht ganzen in één keer doodschieten.

Zo zou het gegaan kunnen zijn. Een andere mogelijkheid is er bijna niet om jezelf met je eigen roer dood te schieten zoals het begraafboek van Vorden vermeldt: ‘den 5 october 1727 Lambart Enserinck met sien eigen roer hem zelven doot geschoten (…).' Een geweer met een lengte van zo’n 1,70 tot 2 meter zet je niet tegen je slaap en richt je ook niet op je voorhoofd.
De omschrijving ‘hem zelven doot geschoten’ lijkt op opzet te duiden, maar in de Achterhoek zegt men bij een dodelijk verkeersongeval ook wel: ‘hij heeft zichzelf doodgereden’. Niet helemaal uit te sluiten valt echter dat er ook kortere exemplaren in omloop waren. Zo werd een pistool wel een ‘kort roer’ genoemd.

Hoe dan ook. Triest voor Lambert, maar zou dit niet gebeurd zijn, dan was ik nooit geboren. En ook Bennie Jolink van Normaal niet. Wat een beetje te veel kruit niet aan Achterhoekse dynamiek teweeg kan brengen...
Dat zit zo.

Bennie Jolink (Normaal), mede-afstammeling van Anneken en Hendrik
Lambert was getrouwd met onze voormoeder Anneken Veltmaat (1693-1761). Zij blijft na het voorval alleen achter op Enserink. Er is nu ruimte voor een nieuwe huwelijkspartner. Al snel dient zich iemand aan: Hendrik Brinkerhof (+1751). Ze trouwen zo’n zeven maanden na het noodlottige ongeval van Lambert. En uit deze laatste nieuwe relatie zijn Bennie Jolink en ik uiteindelijk voortgekomen.

Hendrik komt van boerderij Brinkerhof (De Heegherhoek 2, Vorden-Veldwijk). Bij zijn huwelijk trekt hij in op Enserink en gaat verder onder de naam Hendrik Enserink. Zo gaat dat in die tijd. Vaak word je genoemd naar de plek waar je woont, die dus kan veranderen tijdens een mensenleven.

De boerderij waar Anneken met haar beide echtgenoten woonde, bestaat nog. Het is het huidige koetshuis bij Huize Enzerinck (Almenseweg 60, Vorden). In 1768 is de boerderij eigendom van de Zutphense advocaat en burgemeester Rudolph Jan Staring. Hij laat in dat jaar Enserink veranderen in een buitenverblijf door er een ‘landsheerkamer’ aan te bouwen. De pachter van dat moment, Harmen Enserink, een zoon van Anneken en Hendrik, vertrekt bij die gelegenheid naar erve Bouhuis in Harfsen.
Tussen 1836 en 1838 wordt het huidige huis Het Enzerinck gebouwd door de toenmalige eigenaren jhr. Constantin A.E.A. van Panhuys en Charlotte E.W. Staring (dochter van de dichter; een andere tak dan Rudolph Jan). Na de Tweede Wereldoorlog heeft het koetshuis zijn woonfunctie teruggekregen. Het wordt nu ook wel het Oude Enzerinck genoemd.


De voormalige boerderij Enserink, nu Oude Enzerink genaamd. Eerst wordt in 1768 een landsheerkamer aangebouwd. Na de bouw van het huidige Enzerink verandert de bestemming in koetshuis. Weer later krijgt het zijn woonfunctie terug.

Anneken Veltmaat en Lambert Enserink hebben destijds samen vijf kinderen gekregen, geboren in de slechts zeven jaar van hun huwelijk. Anneken krijgt er in haar tweede huwelijk met Hendrik Brinkerhof in zes jaar tijd nog eens vier bij, waaronder onze voormoeder Esselina Enserink. 

Lamberts dood is niet de eerste klap die Anneken Veltmaat in haar leven te verwerken krijgt. Al veel eerder zit het haar niet mee. In 1696 overlijdt haar vader. Anneken is dan pas drie jaar oud. Haar moeder is al gestorven en haar vader inmiddels zelfs hertrouwd. Als wees blijft ze achter op de boerderij waarop ze is geboren: Veltmaat in Barchem. De nieuwe man van haar stiefmoeder trekt hier in, het oorspronkelijke gezin valt uit elkaar. Anneken wordt ondergebracht op Joostink (Joostinkweg 1, Vorden-Veldwijk), de ouderlijke boerderij van haar vader. Daar boeren nu haar tante Jenneken, zus van vader Jan, en Annekens oom Jan Hesselink, inmiddels Joostink geheten. In 1717 wordt Anneken lidmaat van de kerk in Vorden. Blijkens een getuigenverklaring uit 1734 werkt ze tot haar huwelijk in 1720 als dienstmeid op Joostink. Ze heeft dus wel wat moeten doen voor de kost.

Kwartierstaat Anneken
1.     Anneken Veltmaat geb. op Veltmaat onder Barchem en ged. 21.02.1693, overl. Vorden 19.07.1761, tr. (1) Vorden 23.06.1720, 27 jaar oud, met Lambert Goosen Enserink, 28 jaar oud, ged. Vorden 06.09.1691, overl. Vorden 05.10.1727), tr. (2) Vorden 08.05.1728 Hendrik Harmsen Brinkerhof, later Enserink (zie onder)
2.      Jan Jacobs Veltmaat / Joostink, geb. Vorden op Joostink ca. 1650, overl. Barchem op Veltmaat 1696. tr. (1) Vorden 20.03.1687
3.   Jenneken Jansen Hesselink, geb. Barchem, overl. Barchem <1695.
Bij hun huwelijk betrekt het paar boerderij Veltmaat onder Barchem.
4.   Jacob Roelofsen Joostink / Korterink, geb. Barchem op Korterink, ged. Lochem 08.09.1611, overl. Vorden 15.02.1692, tr. Vorden 14.01.163634 jaar oud, met
5.      Gartjen Jansen Gruwel, geb. Vorden, overl. Vorden >na 26.10.1680.
 Rond hun huwelijk komen Jacob en Gartjen als pachters op boerderij Joostink, als opvolgers  van Lambert Jansen Jebbekinck / Joostink.
 Jacob geldt in Vorden als een notabel man. Tot op gevorderde leeftijd wordt hij dikwijls  gehoord vanwege zijn kennis van zaken in de regio. Zo wordt hij in 1690 in een verklaring  één van ‘de tuigbare mannen’ genoemd.
             Hun dochter Jenneken en haar man Jan Besselink, later Jan Joostink geheten, zullen later de                 pacht van Joostink van haar ouders overnemen. 


De weg in Vorden-Veldwijk waaraan de gelijknamige boerderij ligt
6.       Jan Hesselink
7.       Jenneken Korterink (?)
8.       Roeloff Jansen Korterink, geb. Barchem ca. 1580, overl. ca. 1653, tr. (2) Vorden 07.07.1626 Jenneken Driessen Gruwel, tr. (1) Lochem 21.09.1608
9.       Essele van Haerle, 22 jaar oud, ged. Lochem 25.08.1586, overl. Lochem <14.03.1626
10.   Jan Gerritsen Gruwel, geb. Vorden ca. 1585 in Vorden, overl. <1651, tr. >1606
11.   Jenneken Hendriks, geb. Vorden, weduwe van Dries Gruwel
             Jan volgt de gestorven Dries op als pachter van Gruwel/Grouwel (Almenseweg 33, Vorden-  Veldwijk).
             Rond 1639 vertrekken Jan en Jenneken naar Olthuis, Mosselseweg 5 (Vorden-Mossel), later  opgevolgd door hun zoon Jan.
       18. Hendrik van Haerle, burgemeester van Lochem, geb. ca. 1557, overl. Lochem <20.05.1630,   tr. (2) Lochem 25.06.1626 Aeltien Loesink, tr. (1) Lochem 26.05.1583
       19. Gertken Jansen Tiessink, geb. Lochem ca. 1565, overl. Lochem 25.04.1626

Kwartierstaat Hendrik
1.       Hendrik Enserink, eerder Brinkerhof, geb. Vorden op Brinkerhof ca. 1693, overl. Vorden 06.07.1751, tr. Vorden 08.05.1728 Anneken Veltmaat (zie boven).
Ik stam niet alleen van deze Hendrik af, maar ook van zijn zuster Teuntjen.
2.       Hermen Lucassen Brinkerhof, geb. Vorden ca. 1665, overl. >1736, tr. Vorden ca. 1690
3.       Elsken Jansen Joink


Een straatnaam in Vorden herinnert aan boerderij Brinkerhof
6.       Jan Bartels Joink tr. (1) Vorden 01.02.1657 Essele Hendriks Hassink, tr. (2) Vorden 1667 Beernten Arnt Hilverink
7.       Essele Hendriks Hassink  of Beernten Arnt Hilverink
12.     Bartolt op het Joink. Woont eerst op het Onland, maar verhuist uiterlijk in 1638 naar Joink (Baakseweg 12, Vorden-Veldwijk)

Mijn afstamming van Anneken Veltmaat en Hendrik Enserink/Brinkerhof via hun dochter Esselina
1.     Esselina Hendriks Enserink, ged. Vorden 22.05.1729, overl. Baak 23.04.1796, tr. Steenderen 25.11.1652, 23 jaar oud, met Jan Berendsen Harenberg, 36 jaar oud, geb. Baak 00.09.1716, overl. Baak 19.09.1799; zoon van Berend Peters Harenberg (Baak ca. 1685-1752) en Geertje Lammers (ca. 1690-Baak 1749).
Esselina en Jan wonen op Harenberg (Schooldijk 6, Baak). Zij zijn ook voorouders van Bennie Jolink. Hij stamt af van hun zoon Garrit.
2.     Hendrik Harenberg, geb. Baak, ged. 19.05.1760, overl. Baak 27.03.1830, tr. Steenderen 14.08.1796, 36 jaar oud, met Aaltjen Wentink, 23 jaar oud, geb. Baak 22.03.1773, overl. Baak 03.07.1843; dochter van Arent Wentink (1737-1781) en Janna Hendriks Nijland (1740-1800). Arend en Janna wonen op Meggelshuis (Beukenlaan 9, Baak).
3.     Berendina Harenberg, geb. Baak 19.05.1807, overl. Empe 02.06.1876, tr. Zutphen 29.04.1835, 27 jaar oud, met Jan Frederik Langenberg, 25 jaar oud, geb. Empe 14.04.1810, overl. idem 26.03.1881; zoon van Evert Jan Langenberg (Empe 1786-1841) en Hendrika Jansen Jebbink (Warnsveld 1788-Empe 1867)
4.     Everdina Johanna Langenberg, geb. Voorst 02.02.1836, overl. idem 02.04.1914, tr. Brummen 30.04.1864, 28 jaar oud, met  Marinus ten Broek, 23 jaar oud, geb. Voorstonden 30.07.1840, overl. op boerderij Groot Leusveld (Leusvelderweg 2, Empe) 16.04.1914. Ze overlijden slechts 14 dagen na elkaar; zoon van Willem Derk ten Broek (Voorst 1799-Empe 1881) en Aaltje Harms Smit (Beekbergen 1795-Empe 1874)
5.     En mijn grootouders:
Aleida Berendina ten Broek, geb. Empe 13.10.1868, overl. Voorst (De Pannekoek, Oudhuizerstraat 16) 06.06.1937, tr. (2) Voorst 26.08.1911 Jan Hummelman, geb. Gorssel 19.10.1873, tr. (1) Steenderen 20.04.1906, 37 jaar oud, met Harmen Garritsen, 36 jaar oud, geb. Toldijk 07.08.1869, overl. Toldijk (Grote Hietcole, Hoogstraat 10) 20.07.1909; zoon van Arend Gerhard Garritsen (Toldijk 1840-1910) en Tonia Johanna Hartman (Toldijk 1847-1911)

Een eerdere versie van dit artikel verscheen in OTGB - Oostgelders Tijdschrift voor Genealogie en Boerderijonderzoek, 2016-2

Met dank aan mr. A.C.J. (Arnoud) Viersen voor enkele waardevolle aanvullingen

Bronnen (naast de gebruikelijke registers):
·         G. Hesselink, Stamreeks Korterink / Joostink / Veltmaat, OTGB 95.15
·         KRO-programma Brieven boven water, dd 08.05.2011 (terugslag bij te veel kruit)
·         NTR-programma Verborgen Verleden, dd 14.04.2012 (voorouders Bennie Jolink)
·         J. Renema , Familiehuwelijken alom, OTGB 95.12. Daarin onder meer als bron: Interrogatoria en Kondschappen (SAZ) dd 16.8.1734.