zondag 18 oktober 2020

Inhoudsopgave - Verhalen en directe links

(Informatie over mijn boek 'Een beerput die geen doofpot werd' vind je hierboven achter de gelijknamige tab)


VERHALEN

NIEUW - De dood van schoenmaker Storteler (Hengelo Gld)
https://alicegarritsen.blogspot.com/2020/10/de-dood-van-schoenmaker-hendrik.html 

NIEUW - #MeToo in de Achterhoek - een recensie geschreven door Jos Joosten
https://alicegarritsen.blogspot.com/2020/09/metoo-in-de-achterhoek-een-recensie.html


De losse handjes van de Heer van Holthuizen (Toldijk)

Conversatie, slagerij en bouwvak: hun betekenis toen en nu

Vier eeuwen herberg Den Bremer in Toldijk

Een roer in Vorden als roerganger van mijn leven

Boerderij Steenweert in Bronkhorst

Boerderij de Grote Hietcole in Toldijk

Toverij in de Toverstraat in Baak

De Dollemansstraat in Baak

Twee voorvaders met een 'different' (versie Steenderen)

De dood van schoenmaker Hendrik Storteler (Hengelo Gld)

Het zal je toch gebeuren. Word je als chirurgijn bij een patiënt geroepen, begint een van de aanwezigen daar je uit te schelden. Op jouw beurt laat je dat niet over je kant gaan, en dan opeens … overlijdt de ruziezoeker. Het gebeurde in Hengelo (Gld) op 15 juni 1687.

Die dag zijn in het huis van de molenaar[1] een paar schoenmakers schoenen aan het maken voor molenaar Coop Hermsen alias Coop Muller en zijn vrouw Jantien Boeink alias Gotink.[2] Die schoenmakers zijn Hendrik Storteler (ook geschreven als Stortelaer) uit Zelhem en zijn knechten Derk te Bockelaar en Wijnand Schreurs.
Terwijl ze aan het werk zijn, schiet de molenaarsknecht zichzelf per ongeluk met hagel in het been. De molenaar laat meteen chirurgijn Theodorus Rumpius roepen.

Molen De Olde Kaste in Hengelo (Gld.)
(bron: Beeldbank Cultureel Erfgoed)

Theodorus is de zoon van de gelijknamige vorige predikant van Hengelo. En een broer van Henricus Rumpius, de huidige dominee. Nog diezelfde zomer zal deze broer/dominee ontslagen worden vanwege zijn seksuele wangedrag.[3]
Theodorus is getrouwd met Aaltjen Eggink, dochter van kerkmeester Willem Eggink. Het huwelijk zal kinderloos blijven. Hij is niet alleen chirurgijn, maar ook barbier. Daarnaast bestiert hij een herberg annex brouwerij. Een tijdlang is hij ook pachter van de gebrande wateren district Hengelo. Dat houdt in dat hij de accijnzen moet innen bij de tappers van sterke drank. Bij al zijn collega’s dus, en bij zichzelf. Verder is hij diaken en later ouderling in het kerkbestuur. Ook treedt hij meerdere keren op als gerechtsman bij de plaatselijke rechtbank.

In het molenaarshuis
Onmiddellijk nadat hij gehoord heeft van het ongeluk bij de molen, haast de chirurgijn zich naar het molenaarshuis. Tijdens het genezen en verbinden van de molenaarsknecht nipt hij van een halfje brandewijn. En hij raakt met schoenmaker Storteler aan de praat.
Het molenaarshuis was tevens een herberg. Dat er drank in de buurt was, is dus niet zo vreemd. In de stukken worden molen en molenaarshuis niet nader aangeduid. Dat lijkt erop te wijzen dat er toen slechts één molen in Hengelo was. Dat moet de molen zijn geweest die later De Olde Kaste als naam kreeg, en die stond in de buurtschap ’t Gooi (tussen Hengelo en Keijenborg). Die dateert immers van 1659.[4]

Als Rumpius klaar is met het gewonde been, drinken de schoenmaker en hij samen nog wat. De chirurgijn slechts een bodempje. Ondertussen koopt hij een stuk wit leer van de schoenmaker.
Langzaamaan wordt Storteler dronken. Hij drinkt niet buitensporig, maar het schijnt dat hij toen hij in Indiën was, kwetsuren heeft opgelopen die zijn lichaam nogal hebben verzwakt. Daardoor kan hij slecht tegen drank.
Eerst praten de twee nog over koetjes en kalfjes, en maken grapjes. Daarna wordt het gesprek al grimmiger. De vijf andere aanwezigen horen de schoenmaker tegen de chirurgijn zeggen: ‘U bent een tovenaarskind.
Herman Luijssink, een van die anderen, sust: ‘Zulke dingen moet u niet zeggen. U bent hier in goed gezelschap.
De chirurgijn zegt dan: ‘Ik ben een pastoorskind. En het wijf dat u eerst had en mijn wijf, dat waren volle nichten. Waarom zouden wij een kwestie hebben? Wat weet u daarop te zeggen?'
Storteler weer: ‘U bent niet beter dan een tovenaarskind.’
De ook aanwezige Berend Herink reageert: ‘Zwijg, u zegt te veel.’
Theodorus: ‘Stil even allemaal. Hij zal het wel anders bedoelen en aan mij willen uitleggen.’
Storteler opnieuw: ‘Je bent een tovenaar, een tovenaarskind en een heksenkind.’
Theodorus: ‘U zegt maar wat u zeggen wilt. Als we het later maar afdrinken.’
Jantien Boeink zegt dan: ‘Volgens mij wil Storteler het wel afdrinken.’
De schoenmaker pakt dan een glas bier, neemt een slok, geeft het aan een van zijn knechten, terwijl hij zegt: ‘Wilt u dit glas aan de chirurgijn geven?’
Theodorus zegt dan tegen die knecht: ‘Ik wil het glas van uw baas krijgen, niet van u.’
De knecht geeft het glas aan Storteler terug. Die pakt het aan en scheldt tegen de chirurgijn: ‘Je bent een hond.’
Theodorus: ‘Houdt u me hier om me te affronteren en uit te schelden? In dat geval móet ik mij wel verdedigen
Storteler: ‘Je bent een tovenaar, een tovenaarskind en een heksenkind.’
Daarop schrijft de chirurgijn alle namen van de aanwezigen in zijn memorieboek en vraagt hun goed te onthouden wat hier is gebeurd. Vervolgens wil hij vertrekken, maar wordt teruggeroepen door de molenaarsvrouw. Die zegt: ‘Blijf hier, Storteler zal het goedmaken. Hij zal toegeven dat het door de drank komt. Als u naar buiten brengt wat hij hier gezegd heeft, dan zal hij geruïneerd zijn.’
De aanwezigen drukken Storteler daarop wel tienmaal op het hart dat hij moet zeggen dat het hem spijt. Dat doet hij echter niet. In tegendeel, hij begint opnieuw te schelden.
Rumpius zegt dan: ‘Jij eerdief, houd op. Ik kan het niet langer verdragen. Gaat u door, dan zal ik u op uw bek slaan.’
Storteler reageert niet. Dan zegt de chirurgijn: ‘Hij heeft me uitgescholden voor tovenaarskind. Dat wil ik bewezen hebben.’ En meteen slaat hij de schoenmaker met zijn vuisten, trekt hem aan zijn haren en schopt hem met zijn voeten. Die valt meerdere keren op de grond. De chirurgijn pakt dan de schoenmakershamer, dreigt hem ermee te slaan, en zegt: ‘Ik zal zijn hals breken of hij zal de mijne breken.’
Storteler roept: ‘Wat hals breken?
Theodorus valt weer aan. Een paar mannen trekken de chirurgijn bij Storteler weg. Zijn twee knechts maken aanstalten om samen met de schoenmaker terug richting Zelhem gaan. De chirurgijn loopt hen na, smijt Storteler op de mestvaalt, schopt hem en duwt hem dan weer naar binnen, naar de deel. Twee andere getuigen, Berend Coops en Lambert Eskes, hoorden Rumpius zeggen: ‘Ik wil niet dat u weggaat. Eerst moet dit de wereld uit.’
Op de deel pakt hij een wagenring, loopt hem na naar de keuken en dreigt hem ermee te slaan. Dan valt Jantien Boeink de chirurgijn om het lijf, en zegt: ‘Theodorus, dit gaat zo niet. Als u hem hiermee slaat, zult u er uw leven lang berouw van hebben.’
In de keuken slaat en schopt hij de schoenmaker echter opnieuw en zegt: ‘Gij eerdief, ik wil dat u zegt dat u loog of dat u dronken was. Als u het in de dronk hebt gezegd, dan vergeef ik u.’
Niemand is erop verdacht hoe erg Storteler eraan toe is. Zodra de situatie enigszins aan het betijen is, zet de eveneens aanwezige Berend Dringenborg hem samen met de molenaarsvrouw op een stoel bij het vuur. Daarna gaat zij even met haar hevig schreiende kind naar buiten. Dat is door de consternatie nogal overstuur geraakt.
De schoenmaker lijkt ondertussen wat tot rust te komen. Iemand hem een glas. Hij drinkt een paar slokken en valt daarna met stoel en al om.
Berend Dringenborg zegt: ‘Hij is dood.’
De chirurgijn: ‘Als hij dood is, dan zal ik hem wel weer levendig maken.’
Net op dat moment komt Jantien Boeink weer binnenlopen. Rumpius zegt tegen haar: ‘Haal wat edik (azijn).’ Zodra ze dat heeft gebracht, houdt de chirurgijn de azijn onder Stortelers neus. Meteen daarop lijkt hij te sterven. De chirurgijn voelt aan zijn pols: de schoenmaker is inderdaad overleden.

Zijn knecht Wijnand Schreurs loopt meteen naar Zelhem om Stortelers vrouw en kinderen te boodschappen. Derk te Bockelaar, de andere knecht, gaat naar de molen om de molenaar te halen. Terug naar het huis lopend, komt de chirurgijn hem tegemoet.
Derk zegt tegen hem: ‘Waar wilt u heenlopen?’
Rumpius reageert met: ‘Wat wilt u toch? Waar ik heen wil? Mijn tijd is gekomen.’

Op de vlucht
Diezelfde dag nog - het bericht over Stortelers dood moet zich als een lopend vuurtje verspreid hebben - meldt zich een flink aantal personen bij de Hengelose rechtbank, en later ook nog een drietal bij het landdrostengericht. Zij allen laten beslag leggen op de gerede goederen en effecten van Theodorus Rumpius. Als bokken op een haverkist nemen zij die nog geld van hem tegoed hebben, het zekere voor het onzekere. Blijkbaar is het algemene gevoelen dat het sterven van schoenmaker Storteler slecht voor de chirurgijn zal aflopen. En mede door de perikelen rond zijn broer, predikant Henricus, staat er een fikse rij pittige rekeningen open.

Rumpius zelf is inmiddels in geen velden of wegen meer te bekennen. Ook hij vreest dat de dood van de schoenmaker in zijn schoenen zal worden geschoven.
Het wordt zijn toch al erg geschrokken vrouw Aaltjen te machtig. Ze tekent protest aan: ‘Volgens mij is er voldoende geld om iedereen te betalen. Ik verzoek de schuldeisers dan ook om gezien de situatie even af te wachten. Anders wordt onze boedel alleen al door gerechtskosten geruïneerd.’
Aaltjen Eggink verkeert in een onmogelijke situatie, want zij mag als vrouw geen financiële handelingen verrichten. Daarom schrijft ze een brief aan stadholder Johan van Munster van Graafschap Zutphen: ‘Door een ongelukkige manslag heeft mijn man Theodorus Rumpius tijdelijk het Graafschap moeten verlaten. Daarmee is er nu niemand gerechtigd onze zaken te behartigen. En dat terwijl er schuldeisers zijn, er beslag is gelegd op onze eigendommen en er ons zelfs onteigening boven het hoofd hangt. Onze boedel dreigt zo tot een ruïne te vervallen. Ik wil u daarom dienstig verzoeken mij tijdens mijn mans absentie toestemming te geven om mijn en zijn goederen te mogen administreren en onze schulden te betalen en te innen. En dat ik zo nodig goederen mag verkopen.’
Aaltjens verzoek lijkt te zijn ingewilligd, want vanaf dat moment zien we haar geregeld bij de plaatselijke rechtbank zaken afhandelen.

Ook al is Rumpius verdwenen, hij heeft zijn advocaat Arnold Dam, tevens burgemeester van Doetinchem, nog wel kunnen inschakelen. En ondanks dat ook deze Dam nog geld van hem tegoed heeft, is hij meteen voor zijn cliënt aan de slag gegaan. Hij doet dat mede namens Aaltjen en de vrinden van de chirurgijn.
Tegen rechter Cremer zegt de advocaat: ‘Storteler schold Theodorus geweldig uit. Daarna ging hij, naar het schijnt door de overdadige dronk daartoe bewogen, met de chirurgijn op de vuist. Even later sterft de man. Buiten alle twijfel is hij door de vele brandewijn gestikt. Mocht iemand met kwalijke intenties oordelen dat Storteler door het slaan of een dodelijke verwonding ter dood is gebracht, dan wil ik dat de rechtbank het lichaam door onpartijdige chirurgijns uit Zutphen en Zelhem laat onderzoeken. Dit vanuit het vaste vertrouwen dat er aan het lichaam geen dodelijke verwondingen gevonden zullen worden.’
Rechter Cremer neemt het zekere voor het onzekere. Nu kan het lichaam nog onderzocht worden. Een koeling is nog iets van de verre toekomst.

Rumpius wordt aangeklaagd
Justitie zit ook niet stil. Meteen wordt Theodorus door Jacob Hasebroek, fiscaal[5] van het landdrostengericht, aangeklaagd: ‘Theodorus Rumpius, chirurgijn te Hengelo, heeft Hendrik Storteler, schoenmaker te Zelhem, zo mishandeld dat deze eraan gestorven is. Daarmee heeft hij een manslag begaan, een doodslag. Daarna is hij met zijn lijf ontkomen. Daarom vorder ik bij deze dat er beslag wordt gelegd op zijn nagelaten goederen en dat er een inventaris van wordt opgemaakt. Mocht hij niet opduiken, dan kan onteigening volgen.’
Zodra het visitatierapport van de chirurgijns binnen is, trekt Rumpius’ advocaat uit de bevindingen de volgende conclusie: ‘Hoe het ook zij, mijn cliënt heeft Hendrik Storteler niet verwond. Dat is door meerdere chirurgijns vastgesteld. En als er al een verwonding zou zijn geweest, dan was deze niet te zien, laat staan dodelijk. Daaraan kan Hendrik dus niet overleden zijn, integendeel. Hij moet dus gestikt zijn door een excessieve overdaad aan brandewijn.

De chirurgijn is afgrijselijk door hem beledigd, geprovoceerd, ja, zelfs aangevallen. Hij móest zich wel verdedigen. Dat heeft hij alleen met zijn blote handen gedaan. Hij is daarmee onschuldig aan de dood van Storteler. Hij behoort dus niet gestraft te worden. Zelfs niet met ook maar de minste lijfstraf.’
Alle aanwezigen worden onder ede gehoord. Zij allen vertellen min of meer hetzelfde verhaal. Alleen de getuigenverklaringen van de twee schoenmakersknechts wijken enigszins af. Zij zijn de enigen die verklaren dat Storteler wél heeft gezegd wat de chirurgijn steeds zo graag had willen horen, namelijk: ‘Wij zijn kinderen van eerlijke lui. Heb ik wat gezegd, dan kwam dat doordat ik dronken was.’
Hendrik Storteler laat zijn vrouw Aaltjen Weetink achter, en in ieder geval vier kinderen. De jongste nog geen 10 jaar oud. Het zit Aaltjen niet mee. Het is al de tweede keer dat ze weduwe wordt. Haar eerste man was Rijkel Schooltink.

Advocaat Arnold Dam blijkt nog contact met de verdwenen chirurgijn te hebben, want op 25 november 1687, zo’n half jaar na de dood van Storteler, treffen ze elkaar in Wehl. Daarheen zal Rumpius gevlucht zijn. Wehl lag buiten het Graafschap Zutphen, dus daar was hij veilig.
Tot 1816 hoorde de Heerlijkheid Wehl onder het Hertogdom Kleef (Kleefsland), en viel daarmee buiten de wetten en jurisdictie van het toenmalige Hertogdom Gelre en Graafschap Zutphen.
Op genoemde datum verschijnt de chirurgijn opeens bij Daniel van Raij, de stadholder van deze Heerlijkheid, en zijn twee schepenen. De voortvluchtige verdachte tekent in hun bijzijn een brede volmacht voor zijn advocaat. Arnold Dam mag vanaf nu namens Rumpius al zijn juridische zaken behartigen, en namens hem optreden tijdens alle gerechtelijke stappen in het proces. Dam wordt zelfs gemachtigd om, als hij het nodig acht, beroep aan te tekenen tegen het toekomstige vonnis en de uitvoering daarvan. Daarnaast mag de advocaat ook al zijn geld- en onroerende zaken naar eigen goeddunken behartigen.
Dan verdwijnt Theodorus opnieuw van de radar. Nog maar 35 jaar oud, maar zijn toekomst lacht hem niet meer toe.

Het gerechtelijke proces
De zaak wordt behandeld door het landdrostengericht, dat zetelt in het Doetinchemse stadhuis. Daar dient de advocaat een verzoek in om tijdens het aanstaande proces de voortvluchtige chirurgijn te mogen vertegenwoordigen, dus om namens Rumpius voor het hekje te verschijnen.
Volgens fiscaal Hasebroek is zoiets echter niet toegestaan, want in strijd met de landschapsresoluties (de besluiten van het Hof van Gelre). Die schrijven volgens hem voor dat een verdachte van een delict waarop een lijfstraf staat, zelf moet verschijnen, vervolgens moet worden opgesloten en zijn verdediging vanuit de gevangenis moet voeren.
Daarop reageert Arnold Dam met een schriftelijk processtuk waarvan de inhoud op het volgende neerkomt: ‘De fiscaal heeft mijn verzoek om Theodorus Rumpius bij de rechtbank te vertegenwoordigen, verworpen. Maar … de ten onrechte beklaagde chirurgijn zit niet gevangen. Als hij zelf naar de rechtbank zou komen, moet hij dus vrezen voor hechtenis en banden, zoals de fiscaal te kennen heeft gegeven. Dan wordt hij opgesloten en geketend. En dat terwijl hij onschuldig is, iets wat hij nog zal bewijzen. Daarom zou het nogal contravers en dubieus zijn als hij gearresteerd zou worden.
Voor dit soort gevallen is er echter een rechtmatige uitzondering mogelijk: Rumpius kan een vrije toegang en vrijgeleide vragen. Die mag hem niet geweigerd worden.
Daarbij komt dat zowel inwoners van de stad Doetinchem als die van het Graafschap Zutphen die nooit eerder van een misdrijf verdacht zijn geweest, een privilege toekomt. Dat voorrecht geldt ook als zij vanwege een delict den lijve rakende (een geweldsdelict) gevangen zitten, maar zich beroepen op hun onschuld. De landdrost (de hoogste ambtenaar van het Graafschap) mag in dat geval niet verder gaan met vervolgen voordat hij de gearresteerde voor het stadhuis van Doetinchem opgesteld heeft en daar in het openbaar heeft gevraagd of iemand zijn borg wil worden (een borgsom voor hem wil betalen). Als zo iemand zich meldt, dan wordt de gearresteerde op borgtocht vrijgelaten.
Zo staat het in oude handvesten die in Doetinchem liggen. Het staat ook in het strafrechtelijke Privilegeboek dat op de griffie van het Hof van Gelre ligt, en dat ten tijde van de koning van Hispaniën (Spanje) is vastgesteld. Datzelfde privilege is steeds op die manier uitgelegd en ook zo gebruikt. Niet heel lang geleden nog in Ruurlo. Ook in dat geval ging het om een manslag.
Waarom worden dan hier op een kwalijke manier de landschapsresoluties erbij gehaald? Die zijn immers niet van toepassing, want de verdachte is voortvluchtig. En waarom wordt er afgeweken van het privilege?
Als de verdachte op borgtocht vrijgelaten kan worden, dan is het ook toelaatbaar dat een gevolmachtigde zijn rol in de rechtszaal op zich neemt. Het is een algemene regel in het strafrecht, dat als een verdachte vrijgelaten is nadat er een borgsom voor hem is betaald, het proces middels gevolmachtigden vervolgd kan worden.
Daarbij blijkt uit zowel de getuigenverklaringen als uit de visitatie door de chirurgijns, dat, zoals ik eerder heb betoogd, de verdachte het slachtoffer niet verwond heeft. Daartegenover staan de grove beledigingen die door schoenmaker Schorteler tegen Rumpius zijn geuit. Hij heeft hem zelfs aangevallen, waarop de chirurgijn zich met blote handen heeft verdedigd.
Er kan dus geen sprake zijn van ook maar de minste straf, zelfs niet van de minste lijfstraf. Daaruit volgt dat de verdachte zich door een gevolmachtigde mag laten vertegenwoordigen, en kan het proces gewoon verder gaan.
Ik eis dan ook dat het de verdachte wordt toegestaan een borg te stellen en dat het proces met mij als zijn gevolmachtigde wordt vervolgd.’

Een paar dagen later reageert fiscaal Hasebroek op bovenstaand relaas met een eigen stuk:
‘Ik wil niet ingaan op wat Arnold Dam allemaal betoogt. Ik wil slechts kort gezegd hebben dat de dagvaarding van Rumpius is gestoeld op het landrecht van Graafschap Zutphen. Daarin staat expliciet dat iemand die met voorbedachten rade iemand van het leven naar de dood brengt, als een moordenaar gestraft moet worden. En als hij gevlucht is, moet hij opgespoord en vervolgd worden.
In het geval iemand een ander ombrengt door schijnbaar ongeluk of bij het zichzelf verweren, dan moet hij het Graafschap verlaten. Maar wil hij zich tegen zo’n aanklacht verdedigen, dan zal hij zich in handen van justitie moeten overgeven, en zichzelf op die manier zuiveren. Zoals het hoort.
Als iemand een slachtoffer niet moedwillig en opzettelijk omgebracht heeft, zal dat vanzelf wel uit de getuigenverklaringen blijken.
Het landrecht en fundamentele wetten kunnen hier niet genegeerd worden door te doen alsof de verdachte door een gevolmachtigde vertegenwoordigd kan worden. Ook als een verdachte op de vlucht is, kan hij zijn verschijning in de rechtbank niet ontlopen door een zogenaamd privilege. De reden daarvan is duidelijk: zo iemand kan op die manier niet goed beoordeeld worden. Maar vooral: ons landrecht kent zo’n privilege helemaal niet. Als iemand zich op zoiets beroept, moet hij ook bewijzen dat het bestaat.
Die onschuld van de chirurgijn is trouwens helemaal niet zo duidelijk als zijn advocaat doet voorkomen. Hij probeert bepaalde feiten te verbloemen. Zoals uit de getuigenverklaringen blijkt, heeft de verdachte een moedwillige, baldadige en opzettelijke manslag begaan. Om die en andere redenen blijf ik bij mijn standpunt dat de verdachte persoonlijk zal moeten verschijnen.’

Op 3 april 1688 volgt de definitieve aanklacht. Fiscaal Hasebroek beschuldigt Rumpius officieel van manslag: ‘Hij heeft Hendrik Storteler met grote onstuimigheid met vuisten geslagen en met voeten gestoten. De man is daardoor meerdere keren op de grond gevallen. Nadat de twee door anderen van elkaar gescheiden zijn, heeft de chirurgijn hem op de mestvaalt nogmaals aangevallen. Daarna is hij de schoenmaker naar de keuken gevolgd, en heeft hem daar opnieuw geslagen en geschopt. Met als gevolg dat de schoenmaker even later is overleden.’

Of men de chirurgijn te pakken heeft gekregen, weten we niet. Wel is hij berecht. Van het vonnis is slechts een deel teruggevonden. Het betreft een betalingsverzoek in verband met een boete van 873 gulden die hem in december 1688 opgelegd schijnt te zijn. Dat verzoek is gericht aan zijn borgen, aan de personen die financieel garant voor hem blijken te staan: Jan Luijkink en de Zelhemse rechter Abraham Eerlich. Dat zij borg voor hem wilden staan, geeft aan dat ze vertrouwen in zijn onschuld hadden of hem in ieder geval niet wilden laten vallen.
Volgens een bericht was hij een periode uitlandig. Mogelijk hield zijn straf een tijdelijke verbanning in, of toch een paar jaar op water en brood. In ieder geval zal hij niet voor doodslag zijn veroordeeld. Dan was de straf hoger uitgevallen. Sterker nog: dan zou hij misschien wel nooit in het dorp zijn teruggekeerd.

Terug in het dorp
Medio 1690 zien we zijn vrouw Aaltjen voor de laatste keer zelf een financiële kwestie afhandelen. De zoveelste over geld en het leggen van beslag. Anderhalf jaar later duikt Rumpius opeens weer in Hengelo op. In december 1691 treffen we hem zelfs weer in zijn eigen huis. Daar overhandigt een ambtsbode hem persoonlijk een bericht, uiteraard over een betaling.
Dan wordt toch nog een tipje van de sluier over zijn uithuizigheid opgelicht. Uit een nota blijkt dat de chirurgijn een tijdlang ingewoond heeft bij Hendrik Schutten in de buurtschap Varssel. Schutten heeft (allicht) nog geld van Theodorus tegoed. Dát was dus zijn onderduikadres.
Eind 1692 zien we hem weer de functie van gerechtsman vervullen. Dan zal hij inmiddels van alle blaam gezuiverd zijn, zou je denken. Dit tweede deel van zijn leven duurt echter niet lang. Ergens in de jaren 1693/1694 overlijdt Rumpius al, niet ouder dan 42 jaar.
Ondanks alle financiële sores heeft het echtpaar linksom of rechtsom de herberg weten te behouden. Na zijn dood zet zijn weduwe deze nog tot 1713 voort. In dat jaar doet ze de zaak over aan kinderen van de Gendringse dominee Johannes Eggink en Eva Helena Rumpius[6], haar broer en schoonzus. Dit in ruil voor levenslange verzorging van haar en de bij haar inwonende ongetrouwde broer Jan Eggink Wzn.[7]

Een eerdere versie van dit artikel verscheen in OTGB - Oostgelders Tijdschrift voor Genealogie en Boerderijonderzoek 2020-2.
Een kortere versie staat in mijn boek 'Een beerput die geen doofpot werd; 1682-1688 het ontslag van dominee Rumpius'.

[1] Cursieve woorden/frasen zijn gelijk aan die in de originele tekst
[2] Trouwboek Hengelo: 1668 Den 26 dito (februari) - Coop Hermsen, Herman Coops sone, mullenaer tot Hengeloh, ende Jantien Janssen, zall. Jan Boeinck nagelatene dochter, beijde van Hengeloe ende inwoonders tot Heng.
[3] Meer hierover is te lezen in mijn boek Een beerput die geen doofpot werd. Zie https://alicegarritsen.blogspot.com/p/een-beerput-die-geen-doofpot-werd.html
[4] Bron: www.oudhengelo.nl
[5] Vergelijk de functie van onze huidige officier van justitie. Voluit: advocaat-fiscaal.
[6] Een van mijn voorouderparen
[7] Dit artikel is onder meer gebaseerd op Inventaris 071 Fiscale procesdossiers, advocaat-fiscaal tegen Th. Rompius 1688 (Toegang 3021 Rechterlijk Archief Landdrostambt Zutphen 1517-1811, vindplaats ECAL Doetinchem)

vrijdag 11 september 2020

#MeToo in de Achterhoek - een recensie geschreven door Jos Joosten

Bij uitzondering plaats ik hier een artikel dat door iemand anders is geschreven. Het gaat om een recensie over mijn boek 'Een beerput die geen doofpot werd' die is geschreven door prof.dr. J.H.Th. (Jos) Joosten, hoogleraar Nederlandse Letterkunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij plaatste het op zijn Facebookpagina.
Deze tekst is - met een andere titel en iets andere inhoud - ook als artikel verschenen in het tijdschrift Argus (www.argusvrienden.nlvan 1 september 2020 (zie onderaan deze pagina).





#MeToo in de Achterhoek

Het is een zeer fascinerend verhaal dat Alice Garritsen optekende in haar boek ‘Een beerput die geen doofpot werd’. Op basis van vele duizenden pagina’s aan archiefstukken beschrijft zij het slepende proces tegen dominee Henricus Rumpius uit (het Gelderse) dorp Hengelo. In oktober 1682 dient zijn voormalige dienstmeid, de 20-jarige Geertruij Teunissen, bij de Classis in Zutphen een klacht tegen hem in, omdat hij haar ongewenst zwanger gemaakt zou hebben. Het is het begin van een vier jaar durende juridische en kerkrechtelijke procedure die afloopt met, de ondertitel verraadt het meteen, ‘het ontslag van dominee Rumpius’.

Er is onvoorstelbaar veel materiaal rond deze zaak bewaard gebleven - en al even onvoorstelbaar is hoeveel tijd Garritsen in dit onderzoek moet hebben gestoken. Ik ga maar kort in op het verhaal - iedereen moet het zelf kopen en lezen. Beknopt samengevat: dominee (‘pastoor’ zeiden toen ook de protestanten nog) Rumpius heeft zijn, pas aangenomen, dienstbode bezwangerd en probeert dit te verdoezelen door haar te koppelen aan een ongetrouwde dorpsgenoot. Geertruij Theunissen accepteert deze gang van zaken niet en onderneemt de lange voettocht naar Zutphen om Rumpius aan te klagen bij de kerkelijke autoriteiten.

Het archiefonderzoek van Garritsen geeft inzicht in complicerende factoren van allerlei aard. Vooropgesteld kan worden dat Rumpius naar huidige (en waarschijnlijk ook toenmalige) maatstaven een halve zoniet hele psychopaat was, met losse handjes, een alcoholprobleem en geen enkele inhibitie. Op zijn beurt probeert hij in deze zaak duidelijk te maken dat juist Theunissen niet van onbesproken gedrag is en via het proces louter uit zou zijn op financieel gewin.

Garritsen toont zo de vele vertakkingen die de zaak krijgt, ook al omdat het van de kerkelijke ook aan de burgerlijke rechtspraak wordt toevertrouwd. En het is bewonderenswaardig hoe zij de lezer tot in detail bijpraat over kwesties rond de rechtspraak, die tot op dorpsniveau in grote mate autonoom blijkt (en bizarre kenmerken heeft, zoals dat vrouwen geen zelfstandig recht hadden, maar zich moesten laten vertegenwoordigen door een man (een ‘momber’), zelfs al zei hij niets tijdens een zitting), of over tijdrekening, de soms nog diffuse scheidslijn tussen katholieken en protestanten, sociale en familiale netwerken in dorp en omgeving, en omgangsvormen.

Ondanks de overmaat van materiaal, zitten er soms nog losse eindjes in het verhaal. Garritsen beschrijft ergens hoe Rumpius in april 1684, toen de procedure dus al anderhalf jaar liep, Geertruij Theunissen op straat in Hengelo tegenkwam en met een bijl ‘op hoofd, rug en armen’ sloeg. Dit toch niet flauwe incident (dat ze overleefde) speelt verder geen enkele rol. Hetzelfde geldt voor Rumpius’ aanranding, na een etentje bij hen thuis, van de vrouw van rechter Abraham Eerlich in Zelhem. Allicht zijn relevante documenten hieromtrent verloren geraakt.

Hoe het met Rumpius afliep is dus wel bekend: hij werd uit zijn ambt ontzet (en staat als zodanig ook altijd nog vermeld in de kerk van Hengelo); het laatste wat we van Geertruij Teunissen lezen is dat zij een korte celstraf uitzit voor een bizar verwant misdrijf (het tot zich nemen van een abortus opwekkend middel - onder dwang van nota bene Rumpius - is in die tijd een strafbaar feit). In relatie tot de enorme documentatie van de rechtsgang is de stilte nadien plots heel luidruchtig. De zaak is afgesloten, dus omtrent geen van de personen horen we hoe het hen verder verging.

Dit boek is prachtig, leerzaam, spannend zelfs. Toch heb ik één serieus bezwaar en dat betreft de wijze waarop Garritsen het boek componeerde (en dan gaat het niet om sommige details, zoals dat de geraadpleegde teksten uiteraard geen ‘oud-Nederlands’ zijn). Het zal duidelijk zijn: dit materiaal biedt stof voor een roman, voor daarna een verfilming zelfs. Maar proza schrijven vergt (anders dan monsieur Jourdain dacht) specifieke kwaliteiten. En daar heeft Garritsen zich dan ook niet aan gewaagd.

Maar ze heeft ook geen ‘gewone’ studie geschreven. Ze heeft voor een tussenvorm gekozen, die ze pas aan het eind van het boek uitlegt. Ze schrijft parafrases en soms erlebte Redes met woorden of zinsneden gecursiveerd - die kennelijk letterlijke citaten zijn. Het is een werkwijze waarvoor ze door een promotiecommissie terug naar huis zou zijn gestuurd - ongeacht het bewonderenswaardige bronnenonderzoek en al het nieuws dat ze opdiept. Ik snap haar keuze, denk ik: ze heeft allicht willen vermijden een te saai en studieus werkje te produceren. Maar mij stoorde soms de onduidelijkheid van citaten en status van tekstfragmenten een beetje. Bovendien: dit verhaal is zo boeiend en relevant dat je het helemaal niet kunt verpesten met wat voetnoten.

Wat dan weer heel goed is, is dat Garritsen zelden in speculaties treedt over de motieven van haar ‘personages’. Misschien kan ik me, als lezer, wel wat speculatie veroorloven. Met de ogen van vandaag is het heel verleidelijk om Geertruij Theunissen louter als weerbare vrouw te zien die opkomt tegen haar aangedaan seksueel misbruik. En het is op zijn minst opmerkelijk hoe vasthoudend zij haar zaak tegen Rumpius blijft voortzetten. Theunissen en haar familie wonen in een ‘hut’. Garritsen staat er niet lang bij stil, maar uit Bert Scova Righina’s studie over Staring, bijvoorbeeld, blijkt dat meer dan een eeuw later de huttenbewoners in de Achterhoek nog steeds de allerlaagste sociale klasse vormen: totaal ongeschoold, halfambulant en zo goed als rechteloos. Het is goed denkbaar dat Geertruij Theunissen inderdaad - al dan niet gerechtvaardigd - gedacht heeft dat hier een mogelijkheid bestond om weg te raken uit uitzichtloze armoede.

Omgekeerd en al even cynisch, kun je je afvragen in hoeverre de nederlaag van Rumpius inderdaad als eerherstel of genoegdoening voor Geertruij Theunissen mocht gelden. Was Rumpius’ misdrijf tegenover Theunissen niet de druppel die de emmer deed overlopen? Niet alleen gedroeg de dominee zich tegenover andere vrouwen ook grensoverschrijdend, ging hij zich te buiten aan alcohol maar zeker niet onbelangrijk lijkt mij dat hij in zijn prediking niet recht genoeg in de leer was. Puur hypothetisch vraag ik me af hoe de zaak zou zijn uitgepakt wanneer het louter het woord was geweest van een in alle opzichten eerzame dominee tegenover een totaal rechteloos meisje uit een Achterhoekse hut.

Het artikel in Argus:

Zie voor meer recensies https://alicegarritsen.blogspot.com/p/een-beerput-die-geen-doofpot-werd.html 

dinsdag 25 augustus 2020

#MeToo in een zeventiende-eeuws Gelders dorp (Hengelo Gld)

Dit artikel (met andere illustraties) verscheen eerder in Gen., magazine voor familiegeschiedenis, jaargang 26, nr. 2, juni 2020, een uitgave van het CBG. Het is gebaseerd op mijn boek Een beerput die geen doofpot werd [Het Boekenschap 2019, 272 pagina's]. Meer informatie over het boek is te vinden op https://alicegarritsen.blogspot.com/p/een-beerput-die-geen-doofpot-werd.html

#MeToo in een zeventiende-eeuws Gelders dorp

Dominee Henricus Rumpius kon zijn handen niet thuishouden en werd er in 1682 door zijn dienstmeid van beschuldigd dat hij haar zwanger had gemaakt. Voor zover bekend gaat het hier om het oudste geval van seksueel wangedrag door een kerkelijk ambtsdrager waarbij Justitie tot vervolging overging. De zaak kende alleen maar verliezers. Auteur: Alice Garritsen

De kerk van Hengelo (Gld)

Op 21 oktober 1682 liep dienstmeid Geertruij  Teunissen van het dorp Hengelo in de Gelderse Achterhoek naar Zutphen. Een afstand van vijftien kilometer. Dit om aan de ‘inspectoren’ van de classis Zutphen te vertellen dat dominee Henricus Rumpius, haar werkgever, haar zwanger had gemaakt. Deze classis was een van de regionale organen van de toenmalige Nederduitse Gereformeerde Kerk, de verre voorloper van de tegenwoordige Protestantse Kerk in Nederland, en inspectoren waren predikanten die speciaal belast waren met de controle op het functioneren van hun collega’s.

Zij boden Geertruij een luisterend oor en pakten de zaak zonder dralen op. Wilden ze een slachtoffer van seksueel misbruik niet in de kou laten staan? Wie weet, maar waarschijnlijk deed die overweging er nog niet toe. Het motief was eerder dat de eer, goede naam en faam van een ambtgenoot in het geding waren. Bij dat eerbegrip speelden in de vroegmoderne tijd met name seksuele gedragingen een belangrijke rol, omdat vooral die als eerbepalend werden gezien. Fatsoenlijke burgers – en zeker predikanten – behoorden ervoor te zorgen dat ze niet
onder verdenking kwamen te staan van ontuchtige activiteiten. Reden genoeg dus om op onderzoek uit te gaan naar de handel en wandel van hun collega. Ook al was dat een hele stap.
Nog geen twee maanden later was Geertruij getrouwd met Harmen Rensink en hadden de heren al een berg werk verzet, zoals blijkt uit de ondervraging op 19 december door de eerste inspector, de Zutphense dominee Vlak.

Vlak: ‘Wat is er waar van de rondzingende geruchten?’
Rumpius: ‘Die beschuldigingen zijn vals. Zoals dat mijn meid zou moeten kramen en dat ik naar Deventer zou zijn geweest om haar daar iets tegen te geven.’
Vlak: ‘Is het waar dat u Harmen Rensink aan Geertruij Teunissen hebt gekoppeld, en zeer sterk hebt aangestuurd op een huwelijk tussen die twee?’
Rumpius: ‘Nee, niet waar. Het is allemaal vals en gelogen.’
Vlak: ‘Maar er zijn getuigen die dat verklaard hebben.’
Rumpius: ‘Die getuigenissen zijn vals en meinedig.’
Vlak: ‘Waarom hebt u Geertruij bij u in huis gehouden en zelfs verstopt toen haar familie haar vrijdagnacht de 28e november kwam ophalen?’
Rumpius: ‘Ze wilde zelf blijven, ik heb haar niet opgesloten of verborgen.’
Vlak: ‘En u hebt die zondagavond haar familie uitgenodigd om een akkoord te sluiten.’
Rumpius: ‘Allemaal vals.’
Vlak: ‘Stel, de getuigenissen zijn inderdaad vals, hoe denkt u de wereld daarvan te overtuigen? Er zijn wel vier of vijf getuigen die er een verklaring over hebben afgelegd.’

Toen, zo staat in de stukken ‘stelde de predikant zich aan als een razend mens’. Dominee Vlak kreeg niet de kans zich nader te verklaren. Rumpius gromde iets als ‘dorsten naar onschuldig bloed’, en dat Vlak partijdig was, waarop hij woedend het huis uitliep.

December 1682
Niet veel later, op 23 december, schorste de classis dominee Rumpius van het bedienen van het Heilig Avondmaal. Hij voelde zich daardoor zo in zijn wiek geschoten dat hij nog net voor het kerstreces naar de plaatselijke wereldlijke rechter stapte en een zaak tegen zijn dienstmeid begon - de aanval is per slot van rekening de beste verdediging. Hij klaagde haar aan wegens laster. Dat had hij beter niet kunnen doen, want daardoor kwam de bal pas echt aan het rollen. Er werden getuigen gehoord en er ging een beerput open: in totaal bleek hij negen vrouwen te hebben lastiggevallen.
#MeToo avant la lettre, of beter #MeToen
Door veel gedraal en getraineer door betrokkenen volgde de uitspraak pas ruim drie jaar na de aanklacht: in juli 1686. Geertruij werd daarin schuldig bevonden en veroordeeld. Die veroordeling hield in dat ze moest verklaren dat de predikant haar niet bezwangerd had en ook niet had ‘uitgetrouwd’, dat ze alle beschuldigingen had gelogen, dat ze hem niet anders kende dan als een eerlijk man, en daarom ook zou bidden om vergiffenis. Ook kreeg ze een boete van vijftig goudguldens ‘ten profijte van de diaconie’. Geertruij reageerde verontwaardigd op deze uitspraak en ging prompt in hoger beroep bij het Hof van Gelre. Ook zij had dat beter niet kunnen doen.

Oktober 1684
Jacob Hasebroek, de Zutphense advocaat die Geertruij pro deo bijstond, had daarnaast nog een andere functie: die van advocaat-fiscaal van het Landdrostambt Zutphen, een functie die vergelijkbaar is met die van officier van justitie. In die hoedanigheid klaagde hij Rumpius op 14 oktober 1684 aan vanwege overspel – toen nog strafbaar. Weliswaar niet van overspel met Geertruij, maar met Anneke Lenderink. Met haar verpoosde de voorganger zich tijdens een feestje in het groen bij de waterput.
Daarmee was de predikant nu in twee rechtszaken verwikkeld. Bijzonder is hier de dubbele pet van Hasebroek. Hij was zowel advocaat van de ene partij als aanklager van de andere.
Naast de kwestie van het seksuele wangedrag door een kerkelijk ambtsdrager speelde in deze zaak nóg een actueel onderwerp. De predikant beklaagde zich er meermaals over dat advocaat Hasebroek Geertruij gratis bijstond. Dit terwijl hijzelf zijn raadsman het volle pond moest betalen. Maar daar had Hasebroek wel een weerwoord op: ‘Het kan toch niet zo zijn dat zij doordat ze arm is, geen mogelijkheid heeft zich tegen een machtige tegenstander te verdedigen?’

April 1685
De classis Zutphen volgde in de tussentijd haar eigen pad. Op basis van dezelfde getuigenissen als die de rechtsgeleerden bestudeerd hadden, nam zij een heel ander besluit. Dit niet voordat zij de predikant ruim de kans had gegeven zich tegen de aantijgingen te verdedigen. Rumpius bleef ontkennen, echter zonder dit met bewijzen te staven. Na de schorsing van het Heilig Avondmaal had men hem inmiddels ook tijdelijk van al zijn andere werkzaamheden ontheven. De beschuldigingen aan zijn adres waren zo fors dat de classis in april 1685 geen andere uitweg zag dan hem te ontslaan.
Tegen dit ontslag ging Rumpius bij de Gelderse Synode in hoger beroep. Maar voor het zover was, stelde hij de classis voor dat hij zijn appèl zou intrekken als de classis hem een nieuwe standplaats zou geven. Helaas voor hem lieten de betrokken predikanten zich niet chanteren.

Augustus 1686
De Synode van Gelre ging in 1685 wel overstag, althans gedeeltelijk. De provinciale kerkvergadering draaide het ontslag terug, maar hield zijn schorsing in stand. Tijdens de volgende Synode – augustus 1686 – probeerde Rumpius ook die schorsing van tafel te krijgen. Daartoe diende hij een rekest in waarin hij ‘ootmoedelijk’ verzocht zijn schorsing op te heffen en hem weer ‘in zijn vorige dienst te herstellen’. Ook zou hij graag het traktement over de voorbije periode uitgekeerd willen zien. Hij had immers ‘getriomfeerd’ in zijn zaak tegen Geertruij, want zij was een maand eerder veroordeeld.
De gezamenlijke predikanten van de Synode gingen er eens goed voor zitten. Alle stukken werden erbij gepakt en voorgelezen. Alle ‘debatten en contradebatten van wederzijdse partijen’ werden aangehoord. Na ‘rijpe deliberatie’ van alles wat overwogen moest worden, concludeerde de vergadering uiteindelijk, ‘in de vreze des Heren’, dat de classis ‘geen genoegzame reden [had] gehad’ om Rumpius te schorsen, laat staan om hem te ontslaan. ‘Om gewichtige redenen’ besloot de Gelderse Synode daarom hem in zijn ‘predikdienst’ te herstellen.
Dit alles echter wel op voorwaarde dat ook het vonnis in het hoger beroep van Geertruij bij het Hof van Gelre gunstig voor hem zou uitpakken, evenals het vonnis in de strafzaak. Mocht Rumpius door het Hof schuldig worden bevonden, dan zou alsnog ‘deportatie’ volgen, dat wil zeggen: ontslag.
Zijn terugkeer in Hengelo zou op een correcte manier geregeld worden, zo besloot men. Dominee Van Galen – ‘oor en mond’ van Rumpius – kreeg als gedeputeerde van de Synode de opdracht deze herinstallatie te regelen.

September 1686
Op zondag 12 september 1686 zou Rumpius weer gewoon op de kansel staan. Daar was een deel van de Hengelose bevolking het niet mee eens. Ze waren zelfs zo geschokt door de aankondiging dat enkelen van hen zich de dag ervoor meldden bij landdrost Walraven van Heeckeren, de hoogste ambtenaar van het Landdrostambt Zutphen: ‘We hebben gehoord dat dominee Rumpius als predikant in ons dorp zal terugkeren, maar dat willen we absoluut niet. Wat een onstichtelijke beslissing! We voelen ons er danig door gekwetst in ons godsdienstige gevoel. In het dorp rest nog slechts een ruïne van wat destijds een voortvarende kerkgemeente was, slechts een ruïne van Gods kerk. Wij willen u daarom waarschuwen dat men op middelen zint om de terugkomst van deze pastoor tegen te houden.’
De landdrost ondernam meteen actie. Naderhand bracht hij hiervan middels een brief verslag uit aan het Hof van Gelre. Hij schreef dat hij de boodschap serieus had genomen en hoe hij de zaak had aangepakt: ‘In naam van de landvorstelijke hoogheid [heb ik] dominee Henricus Rumpius gelast het predikambt in Hengelo niet te gaan uitoefenen. Verder heb ik de plaatselijke rechter gelast om in geval men de installatie toch zou doorzetten, deze op alle mogelijke manieren te beletten.’ Dat hoefde hij deze rechter geen twee keer te zeggen.

Juli 1687
Het was inmiddels een jaar geleden dat Geertruij in appèl ging tegen het vonnis in de door Rumpius aangespannen zaak. Op 16 juli 1687 volgde de uitspraak van het Hof van Gelre in dit hoger beroep, gelijk met die in de strafzaak tegen de predikant.
Maar een maand eerder was Geertruij gearresteerd en opgesloten in de Sint Johanspoort in Arnhem. Uit de getuigenissen was het Hof gebleken dat ze meerdere keren vruchtafdrijvende middelen had ingenomen. Weliswaar was ze daartoe min of meer gedwongen, maar dat maakte niet uit. ‘Zoiets valt in een land van justitie niet te tolereren en moet nader onderzocht worden.’ Van het belasteren van de predikant werd ze echter vrijgesproken. Wat dat betreft had ze haar appèl gewonnen.
De rechtsgeleerden die de uitspraak in de eerste zaak hadden gedaan, kregen van het Hof een standje: ‘Tijdens het lezen van de stukken zijn wij gestuit op iets wat haar wél te verwijten valt: het slikken van poculum abortivum. Toen hebben wij maar gedaan wat de lagere rechters hebben nagelaten: we hebben inmiddels haar vervolging in gang gezet.’ En daarmee was een vierde proces in deze affaire begonnen.
In de door justitie tegen Rumpius aangespannen strafzaak oordeelde het Hof dat deze wegens gebrek aan genoegzaam bewijs niet-ontvankelijk was. Hij zou dus niet verder vervolgd worden. Misschien was dit omdat Rumpius deze daad steeds was blijven ontkennen. In de vroegmoderne tijd speelde de bekentenis immers een grote rol. Als je niet bekende, werd je al gauw vrijgesproken of kreeg je alleen een lichte straf. Maar ook de sociale positie van een verdachte woog mee. Zelden werden bijvoorbeeld chirurgijns of predikanten vervolgd. Gebeurde dat wel, dan had zo iemand het wel heel bont gemaakt. Tegenwoordig noemen we dat klassenjustitie.

Augustus 1687
Toch was Rumpius er niet gerust op dat dit goed ging aflopen. Her en der probeerde hij in ieder geval nog snel enkele positieve verklaringen over zijn gedrag bijeen te sprokkelen. Maar tijdens de Synode van augustus 1687 straalde hij een en al zelfvertrouwen uit: ‘Inmiddels is het hoger beroep van Geertruij in mijn voordeel beslist. Zozeer zelfs dat zij nu gevangen zit in de Sint Johanspoort, te water en te brood. Bovendien is de strafzaak tegen mij wegens gebrek aan bewijs niet-ontvankelijk verklaard. Daarmee heb ik voldaan aan de voorwaarde die door de vorige Synode aan mijn herstel is verbonden. Mijn herbenoeming is daarmee onvoorwaardelijk geworden. Ik kan dus definitief weer als predikant worden geïnstalleerd.’
De Synode reageerde echter als volgt: ‘Dit vonnis bevestigt de uitspraak van de plaatselijke rechtbank niet. Integendeel, het bezwaart de predikant juist in velen. Het Hof heeft immers geoordeeld dat er voor zijn aanklacht wegens laster onvoldoende bewijs was? De processtukken waarover wij beschikken bewíjzen juist de hem ten laste gelegde fouten. Dit alles in de vreze des Heren overwogen hebbende, hebben wij dan ook met meerderheid van stemmen geoordeeld dat Rumpius geen predikant in Hengelo kan blijven.’ Rumpius had te vroeg gejuicht. 
In april 1688 deed hij nog een laatste poging om zijn ontslag teruggedraaid te krijgen: hij diende daartoe een verzoek in bij de Gelderse Landdag, het allerhoogste orgaan binnen het Hertogdom Gelre. Hij vroeg of de maatregel die de vorige zomer door de Gelderse Synode was genomen, bij de aanstaande Synode zou kunnen worden herzien. Dat verzoek werd afgeslagen. En daarmee was deze beerput definitief geen doofpot geworden.
In totaal zijn er bij de wereldlijke rechter in deze kwestie dus vier processen gevoerd, waaronder twee strafzaken. Voor zover bekend ging het hier om het oudste geval van seksueel wangedrag door een kerkelijk ambtsdrager waarbij justitie is gaan vervolgen.

Naamlijst met alle Hengelose predikanten. Achter de naam van Henricus Rumpius staat 'ontzet'. Nu is bekend waarom. Boven hem staat de naam van zijn vader (mijn voorvader) en voorganger: een gerespecteerd man.

Roggemeel, spek en eieren
Dominee Henricus Rumpius is een zoon van een voorvader aan mijn vaderskant. Minstens negen vrouwen viel hij lastig. Een van hen was Aaltje Bannink-Hillebrants, een voormoeder aan moederskant. Ze was een jaar of 32 toen de 19-jarige Rumpius op een avond in 1674 bij haar op de deur klopte. Zodra Aaltje open had gedaan, haalde hij een doek tevoorschijn met daarin roggemeel, twee rijmen spek en enige eieren. Hij vroeg haar dit aan te pakken en met hem mee te gaan naar een leegstaand huis in de buurt. Daar wilde hij met haar ‘zijn wille doen’. Haar man zou er niets van merken, zo garandeerde hij. Het moet voor Aaltje verleidelijk zijn geweest hierop in te gaan, want ze had het niet breed en er waren drie kindermonden te voeden. Maar ze was sterk. Henricus droop af. Later probeerde hij het nog enkele keren. De laatste keer viel hij haar zelfs om de hals, kuste haar en beloofde een schepel boekweit te brengen. Opnieuw weigerde ze. Ik ben trots op hoe ze zich staande hield in een situatie die we tegenwoordig als #MeToo zouden betitelen.

Bronnen
Voor de reconstructie van deze zaak is gebruikt gemaakt van zowel kerkelijke als gerechtelijke archiefstukken die zich bevinden in respectievelijk Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers (ECAL) in Doetinchem, Erfgoedcentrum Zutphen en het Gelders Archief in Arnhem. In totaal zijn ruim 7000 pagina’s aan documenten doorgelezen.

De gevangenis waarin Geertruij enkele maanden opgesloten zat


 

zondag 15 december 2019

De Van Londens en De Gouden Leeuw te Bronkhorst


Op zoek naar mijn voorouders kwam ik tot mijn grote verrassing ook uit in het historische Bronkhorst, een van de kleinste stadjes van Nederland. Daar vaart nog steeds het Bronkhorsterveer, waarvan een voorvader ooit de veerman was (ca. 1717-1750). Daar staat nog het kerkje waarin een voormoeder in 1789 is begraven. En daar staat nog de herberg waar voorvader Telleman van Londen in de 17e eeuw de scepter zwaaide: De Gouden Leeuw, met in de openhaard het nog door hem geplaatste tegelplateau.

Ik was er al eens eerder geweest en vond het een mooi stadje. Ik had zelfs ooit in De Gouden Leeuw geslapen. Het gebouw intrigeerde me: je kunt er het verleden voelen. Zoals in het hele stadje. Maar nu voelt het toch nog weer anders, nu ik weet dat mijn wortels hier liggen. Dat moet dus wel tussen mijn oren zitten, maar wat geeft het.

Hoe vaak zal Telleman van Londen wel niet in die oude kelder zijn geweest voor een vat bier? En hoe vaak in het kerkje? De waterpomp op het pleintje heeft hij echter niet gekend. Het had in principe gekund, want de eerste Nederlandse pompen dateren uit de 17e eeuw. Deze pomp is echter van 1964. Op deze zelfde plaats was ooit wel een put, in ieder geval was deze er in 1810 nog. De vroegere put kwam tevoorschijn bij de bouw van de huidige waterpomp: een keurig overkoepeld exemplaar, aangetroffen op een diepte van zo’n anderhalve meter.

De huidige Gouden Leeuw, een rijksmonument, stamt uit het eerste deel van de 17e eeuw, althans het deel boven de kelder dat in oude stukken burgemeesterswoning wordt genoemd, en de ernaast gelegen gelagkamer. Mogelijk zijn de fundamenten ouder, maar de opbouw is destijds door een grote brand in 1633 verwoest geraakt. En niet alleen de herberg: een groot deel van het stadje brandde af.

Herberg De Gouden Leeuw (bron: de huidige herbergier)

Verder terug in de tijd dan deze Telleman van Londen ben ik niet gekomen. Althans niet met voldoende zekerheid. Hij is de oudst mij bekende herbergier van De Gouden Leeuw.

Van Londen, ook vaak als Van Lonnen geschreven, is een bijzondere achternaam in deze contreien. Het is dan ook niet onwaarschijnlijk dat deze Telleman een immigrant is, mogelijk een soldaat, en dat hij geboren is in Engeland. Daar zag ene Tilman London op 1 februari 1609 het levenslicht in het dorpje Horton, graafschap Gloucestershire. Zijn vader is Jerem/Jerome London. In ieder geval heeft Tilman dat dorp verlaten, want hij is er niet gestorven. Zijn voornaam staat echter geschreven in een lastig te ontcijferen handschrift. Latere Engelse zegslieden denken dat er Edward staat.
Zeker is dat er destijds meerdere mannen uit Engeland naar deze contreien kwamen om er als soldaat te dienen. Zo zijn in het trouwboek van Zutphen verschillende huwelijken terug te vinden tussen hen en vrouwen uit die stad.
Maar … inmiddels blijkt er al vóór Telleman sprake van de naam Van Lonnen in Bronkhorst: Bartelt van Lonnen, burgemeester van Bronkhorst. Hij is voor 1631 gestorven. Mogelijk is híj de vader van Telleman, en heeft de immigratie vanuit Engeland al een generatie eerder plaatsgevonden. Functies als die van herbergier en burgemeester gingen nogal eens over van vader op zoon.
Kortom, deze oudste generaties zijn nog niet helemaal duidelijk.

De naam De Gouden Leeuw dateert mogelijk pas van na 1800. Ik ben deze in ieder geval nergens in de geraadpleegde stukken tegengekomen. Opvallend, want de namen van andere herbergen in de omgeving, zoals van die in Steenderen en Baak, worden er wel in genoemd. In ons geval zien we echter alleen maar de aanduiding Huis: het huis van burgemeester Telleman van Londen of het huis van brouwer Garrit Hendriks.
Het oudste bericht dat ik over de naam tegenkwam, staat in een dagboek uit 1870. Daarin wordt de herberg ‘t logement waar die leeuw uithangt genoemd. Een typisch voorbeeld van de manier waarop lang geleden herbergen werden aangeduid. Kennelijk is het een eeuwenoud gebruik dat zij uithangborden aan hun gevels bevestigden.
In de databank waarin oude kranten doorzocht kunnen worden (www.delpher.nl), waaronder de Graafschap-bode, vind ik de naam geen enkele keer (wel de naamgenoten in Doetinchem en Keppel), en ook niet de naam De Leeuw. Ik las in een artikel uit 2009 dat ‘deze oude naam’ na de restauratie in 1966 in ere is hersteld. Maar wat is oud?

Hieronder volgt het relaas van vijf generaties Van Londen, herbergiers van De Gouden Leeuw tot 1797, wanneer de laatste in de rij de herberg noodgedwongen moet verkopen.

De eerste vrouw van de eerdergenoemde Telleman van Londen, Hendriksken Geerlichs, sterft jong. In 1651 hertrouwt hij in Arnhem met Wendeltjen Heijman uit de Havikerwaard (bij de IJssel, tussen De Steeg en Ellecom). Samen krijgt dit paar in ieder geval één kind, dochter Willemina.
Mogelijk heeft hij de herberg van zijn (schoon)vader overgenomen. Voor iemand van rond de 40 heeft hij in 1650 al een behoorlijk bezit opgebouwd. Dat moet haast (deels) uit de familie afkomstig zijn.

De eerste notitie over deze Telleman vinden we in het verpondingskohier uit de periode 1643-1651. Dat is een belastingregister voor onroerend goed (vergelijkbaar met onze onroerendezaakbelasting OZB). Daarin lezen we ‘Telman van Lonnen, zijn huis, noch een hof na de berge 1 spint gezaaij, noch een bergstede’. Hij bezit dus binnen Bronkhorst een huis, een tuin ter grootte van 1 spint gezaaij, d.w.z. 1,7 are en een (hooi)berg. Daarnaast is Telleman mede-eigenaar van een stuk land onder Steenderen, de Crabben Cruisbrink genaamd, groot vijf schepel gezaaij. Het perceel lag ergens tussen Bronkhorst en de Steenderense kerk.
In de Maancedulle van 1655 vinden we een  bevestiging van deze eigendom. De maancedulle is het register van in te vorderen (in te manen) (belasting)gelden. Telleman blijkt in dat jaar in Bronkhorst in zijn eigen huis te wonen, dat wil zeggen dat het huis waarin hij woont zijn eigendom is. Daarnaast bezit hij onder Bronkhorst een hof (tuin), een bergstede en een stuk land met de naam Slotboomken. Dat land is vier koeweidens groot. Ook pacht hij bouwland, en wel ter grootte van vier molders gezaaij, en weidegrond met een afmeting van in totaal 11 koeweidens.
Telleman had dus naast een huis – waarvan wij weten dat het ook een herberg was - ook een boerderij, toen nog bouwerij of bouwplaats geheten. Dat was niet zo vreemd. Bijna iedereen (buiten de grotere steden) had een boerderij(tje), iedereen zorgde destijds voor zijn eigen eten, ook al was men schoenmaker, rechter of onderwijzer, of … herbergier.

Telleman is niet alleen herbergier en boer, maar ook brouwer. Vaak ging dat samen. Iedere herberg zijn eigen bier. En zo was De Gouden Leeuw ooit ook een brouwerij. Het voor het bier benodigde water zal hij uit zijn eigen put gehaald hebben die zich op het erf bevond. Begin 2017 kwam deze tijdens de verbouwing van het pand toevallig weer boven water. Men trof de diepe put aan aan de zijkant van de herberg, langs de huidige Onderstraat.

Daarnaast is Telleman ook nog burgemeester, één van de vier burgemeesters van Bronkhorst. Als zodanig zien we hem in ieder geval genoemd worden in de jaren 1658, 1664 en 1666. Daarbij moeten we echter niet denken aan de huidige functie van burgemeester.
Bronkhorst was een Heerlijkheid. Anders dan elders in het land, waar de ‘overheid’ de zaken regelt, had in Bronkhorst de Heer het voor het zeggen. Hij stelt de regels en handhaaft die ook. Dit zowel op bestuurlijk gebied als op dat van de rechtspraak, hoewel die twee destijds door elkaar liepen. Dit op basis van zijn heerlijke rechten. Hij mag de opgelegde boetes in eigen zak steken. De Heer is zelfs bevoegd de doodstraf op te leggen aan plegers van zware misdrijven, de zgn. halsmisdrijven of halszaken. Aan deze bestuursvorm in Bronkhorst komt pas in 1795 een eind, als de Fransen ons land bezetten.
Om de rechtszekerheid te bevorderen, bepaalde de Heer van Bronkhorst dat zijn richter/rechter samen met vier vertegenwoordigers van de burgerij, de burge(r)’meesters, het gericht van de stad vormden.
Een van deze vier is in zijn tijd dus onze Telleman van Londen. En daarmee is ook verklaard waarom we hem geregeld terugzien in de rol van gerichtsman, een lekenrechter/bijzitter.
Na benoeming moest zo’n burgemeester een eed afleggen aan de Heer van Bronkhorst, een eed van trouw. Hij wordt daartoe boven ontboden (op het inmiddels afgebroken kasteel dat wat hoger lag). Zo ging het tenminste bij Tellemans kleinzoon, mijn voorvader Garrit Arends, toen deze in 1754 ook tot burgemeester was benoemd. Deze Garrit is kennelijk verhinderd op de dag dat deze eed door de gezamenlijke burgemeesters afgelegd moet worden, want er staat geschreven dat hij wegens absentie niet heeft kunnen komen. Gelukkig kreeg hij later een herkansing.

(...) Gerrit Arens boven ontboden – en alle – uitgenomen den laatsten, die wegens absentie niet heeft konnen komen (...)

En alsof Tellemans dagen hiermee nog niet voldoende gevuld zijn, heeft hij nóg een functie. In 1658 en 1664 is hij ook provisor (boekhouder) van het Heilige Geest tot Steenderen en Bronkhorst, een van de twee plaatselijke instellingen ten behoeve van de armen.

We spraken al over brand. Ook in het jaar 1666 breekt er brand uit: een zware brand, aangekomen door een test (ontstaan door een pot) met vuur in het huis van burgemeester Telleman van Londen bij de Steenpoort’. Het zal een drama geweest zijn. Grote kans dat de toenmalige tegels in de openhaard daarbij vernield zijn geraakt. Aangezien het huidige tegelplateau met bijbelse taferelen uit de 17e eeuw stamt, zal Telleman na de brand deze tegels zelf hebben laten plaatsen.
De genoemde Steenpoort - die in de huidige Onderstraat stond, de straat naast de herberg - is een van de twee toenmalige toegangspoorten. De andere is de Veerpoort, aan de andere kant van het stadje, in de richting van het veer.

De uit de 17de eeuw daterende tegels met bijbelse taferelen in de openhaard van Herberg De Gouden Leeuw te Bronkhorst (eigen foto)

Of Telleman en Wendeltjen meer kinderen hebben gekregen, weten we niet zeker. Zo rond 1685 wordt de herberg in ieder geval overgenomen door dochter Willemina van Londen en schoonzoon Garrit Hendriks.

Herbergier zijn is een enerverend bestaan: je maakt nog wel eens wat mee. Een oude wijsheid luidt: als de drank is in de man, is de wijsheid in de kan. Maar ook andere zaken spelen zich af in zo’n min of meer openbare ruimte. Zo gebeurt het volgende tijdens de Bronkhorster kermis van september 1726. Willemina is dan al overleden (in 1717) en Garrit al een oude man.
De zomer weet dat jaar niet van ophouden. Er is daardoor zelfs in deze herfstmaand nog sprake van grote extraordinaire droogte en hete zonneschijn. Daarom is het wegens brandgevaar verboden om op straat te roken. In die tijd zijn veel huizen nog van hout. De herinnering aan de grote branden van weleer zal in het collectieve geheugen van het stadje gegrift zijn geweest. Dat wil men niet nog eens meemaken.
Ondanks het rookverbod worden twee ongedempte en uitgeblazen pijpen op straat gevonden. De schout weet kennelijk wie te verdenken en waar hem te vinden. Hij gaat naar het huis van brouwer Garrit Hendriks (herberg De Gouden Leeuw dus). Daar zit de verdachte inderdaad: Geurt Geurtsen van boerderij Hammink (Bakerwaard). Hij zit er samen met anderen op de kamer. De schout zegt dat hij Geurt al tweemaal op straat heeft gewaarschuwd. Deze is het daar kennelijk niet mee eens, komt in oppositie en roept dat de schout liegt als een schelm en daarna ook nog meerdere impertinente woorden over de burgemeesters en zelfs ten opzichte van de Heer dezer jurisdictie. Vervolgens roept Geurt dat hij buitenshuis wil roken, waarop hij met een tabakspijp in zijn mond uit het gezelschap van de kamer over de dorpel buiten het huis is gegaan.
De aanklager concludeert later voor het gerecht dat al deze feiten, excessen en buitensporigheden ten hoogste strafbaar zijn. Geurt ontkent alles, maar krijgt toch een boete van 50 daalder.
(Denkend aan ons tegenwoordige rookverbod juist binnen ín gebouwen: een mooi voorbeeld van hoe zaken in de loop der tijd in hun tegendeel kunnen omslaan.)

In 1728, elf jaar na de dood van Willemina, realiseert Garrit Hendriks zich dat ook hij niet het eeuwige leven heeft. Hij maakt een testament op ten gunste van zijn beide zoons, Hendrik en Telleman. Beiden worden in de tekst zeer geprezen. Vanaf hun kindertijd hebben zij al veel meegeholpen, zo staat geschreven, maar vooral sedert het overlijden van hun moeder hebben zij veel kinderlijke affectie en innerlijke liefde getoond. Uit de na te laten goederen zullen zij vanwege knechteloon en andere extraordinaire moeilijkheden dan ook elk 250 carolusgulden ontvangen. Garrits dochters worden in het testament niet genoemd. Mogelijk zijn zij op een eerder moment bedeeld met een mooie bruidsschat. Dochter Wendelina is dan al overleden. Van Johanna weet ik weinig, alleen dat ze dan nog in leven is. Dochter Grietien, mijn voormoeder, heeft de herberg inmiddels al verlaten. In 1715 is ze getrouwd met veerman Arend Jansen en bij hem in het Bronkhorster veerhuis ingetrokken. Dat veerhuis was tevens een herberg. Daar kwam de ervaring die ze in de ouderlijke herberg had opgedaan, goed van pas.

Het stukje uit het testament Van Garrit Hendriks anno 1728 waarin beide zonen worden geprezen:
    (...) sedert het overlijden  van gemelte sijn ehevrouw, veele hantreijcking en kinderlijcke affectie en innerlicke liefde
    bewesen hebben (...)

Garrit had een vooruitziende blik, want reeds het volgende voorjaar, in maart 1729, blijkt hij overleden. Met dit overlijden is mijn familieband met De Gouden Leeuw verbroken. Bij de boedelverdeling blijkt dat (zoon) Telleman van Londen eeuwiglijk en erflijk zal bezitten, behouden en possederen alle ongerede (onroerende) goederen die wijlen Garrit Hendriks en Willemina van Londen levendig en dood zijnde hebben nagelaten zoals het huis met de brouwerij en schuur waarin wijlen Garrit Hendriks en Willemina van Londen hebben gewoond, voorts de hof (tuin) aan de Bargstraat, bargstede (berg), 6/10 parten (delen) in een bongertjen (boomgaard), een stuk land De Bierle genaamd en een weide met de naam De Enken, voorts alle gerede meubels, gerakheid van het huis, bedden, koper en tin, levendige have (vee), bouwerij (boerderij) en bouwgereedschap, gereed (contant) geld (…), niets van dit alles uitgezonderd (…).
Dat hij, voornoemde Telleman van Londen, daarvoor zal betalen een somma van 3700 gulden.
Dat hij, Telleman van Londen (…), zal betalen alle lasten en schulden van de boedel die als volgt zijn gespecificeerd (o.a.):
·         aan de veerman Arent Jansen (Tellemans zwager) een kapitaal van 500 gulden
·         aan de armen van Bronkhorst 370 caroli gulden
·         aan zijn broer Hendrik Garritsen 250 gulden (zoals bepaald in bovenstaand testament), en daarnaast nog 50 gulden
·         het loon van meiden en knechten ad 57 gulden
Dat voornoemde Telleman van Londen daar bovenop, zowel aan iedere condivident (deelgenoot) als aan hemzelf bovenklederen, linnen en wat zilverwerk dat al door een ieder geprofiteerd en uitgekeerd is (gebruikt wordt en gegeven is), zal betalen:
·         aan Hendrik Garritsen (broer) 368 gulden 8 stuivers
·         aan Arent Jansen (zwager) als man en momber van zijn huisvrouw Grietje Garriten (zuster) 368 gulden 8 stuivers
·         aan Johanna Garritsen (zuster) 368 gulden 8 stuivers
·         aan Hendrik Krimperman (te Haarlem, de weduwnaar van zus Wendelina) 368 gulden 8 stuivers
·         aan hem condivident Telleman van Londen zelf 368 gulden 8 stuivers.’

In 1729 is De Gouden Leeuw daarmee in handen gekomen van Telleman van Londen II, kleinzoon van de oudst ons bekende herbergier. Vreemd genoeg heet hij niet Telleman Garritsen. Dat zou volgens de geldende regel van het patroniem logisch zijn geweest. Zijn vader heet immers Garrit Hendriks? Vreemd, te meer daar zijn broer en zusters wel Garritsen als familienaam (blijven) dragen. Overigens niet te verwarren met mijn eigen achternaam.
Opvallend is ook al de inschrijving van zijn doop in 1692: Telleman van Londen, kind van Garrit Hendricks en Willemken van Londen in Bronckhorst. Niet alleen staat er een achternaam bij de dopeling vermeld, Telleman is ook nog eens het enige kind in dat hele doopboek (periode 1692-1738) bij wie überhaupt een achternaam genoteerd staat. En dan ook nog die van zijn moeder! Bijzonder dat de dominee van dienst hiermee akkoord ging.

De originele doopinschrijving van Telleman II 18-09-1692

Telleman II heeft dus nadrukkelijk de familienaam van zijn moeder gekregen. Maar waarom?
En waarom neemt broer Hendrik de herberg niet over? Hij lijkt immers de oudste zoon te zijn. Hij wordt in het testament als eerste genoemd. Ook wijst zijn voornaam in die richting. De oudste zoon werd immers uit traditie vernoemd naar de grootvader aan vaderskant? En die moet Hendrik geheten hebben (op te maken uit het patroniem van Garrit Hendriks).

In datzelfde jaar 1729 trouwt Telleman II met Elsken Gerrits (geboren in 1703), dochter van Gerrit Jansen (Wijers) uit de Emmer. Na haar overlijden hertrouwt hij in 1742 met Jenneken Hendriks, dochter van wijlen Hendrik Jansen (Wijers), uit Olburgen. Telleman II moet gestorven zijn na 1758. Hij heeft maar liefst elf kinderen en daarmee vele nazaten her en der, waaronder nog diverse in het huidige Bronkhorst en Steenderen.
Net als zijn grootvader, zien we ook hem geregeld in het openbare leven verschijnen: als burgemeester, gerechtsman, diaken, momber/voogd, en ook assisteert hij vrouwen bij rechtszaken. Gehuwde vrouwen mogen (nog heel lang) niet zelfstandig optreden voor het gerecht. Daarom laten ze zich in zo’n geval vergezellen door een assistent, een (willekeurige) man.

Dat deze Telleman ll niet over zich laat lopen, kunnen we afleiden uit meerdere zaken die voor het Bronkhorster gerecht gespeeld hebben. Twee voorbeelden. In de eerste wordt hij door de plaatselijke schout beschuldigd van het bezwangeren van een stadgenote. Na een lange reeks rechtszittingen hierover, waarin Telleman II zich niet onbetuigd laat, zien we die schout niet meer in Bronkhorst terug. Het tweede geval betreft de benoeming van een nieuwe schoolmeester. De Heer van Bronkhorst is het niet met die benoeming eens en vecht deze aan. Telleman II zou bij die zaak als gerechtsman optreden, maar weigert dit. Hij gaat hiermee in tegen het gezag van deze zelfde Heer, door wie hij benoemd is, en in wiens dienst hij in deze is.

Telleman ll wordt opgevolgd door zijn zoon Jan van Londen (1731-1788), getrouwd met Maria Hagens (overleden 1792). Maria is afkomstig uit Geesteren. Ook Jan is burgemeester, en we zien hem veelvuldig genoemd worden in de rol van gerechtsman. Daarnaast is hij kerkmeester.
Jan en Maria hebben zeven kinderen, van wie er vijf volwassen worden. Hun zonen Reint, Egbert en Hendrik vertrekken uit Bronkhorst, dochter Elsken blijft. Zij trouwt met de plaatselijke meestersmid Garret Jan Garretsen (niet aan mij verwant). De oudste zoon, de derde Telleman, zal vader Jan opvolgen.

Begin 1789 is het zover. Bij de boedelscheiding na zijn vaders overlijden vallen Telleman van Londen III (1760-1811) de volgende zaken toe: huis, hof en schuur op de hoek van de Kruisstraat staande, met de annexe brouwerij; een weide de Sandmate (aan de Bergstraat); de barg en een boomgaard; en alle gerede goederen des boedels, waaronder de brouw- en bouwgereedschappen, vier paarden, elf stuks hoornvee groot en klein, hooi, stro, gedorst en ongedorst koren, het gezaaij op het land en meubilaire goederen, behalve het ledikant met het bed en toebehoren en kast in de nieuw getimmerde kamer. Die laatste twee blijven in het bezit van Maria Hagens, zijn dan nog levende moeder. Zijn zuster en drie broers worden met geld bedeeld. Ook Telleman III is burgemeester / gerechtsman.  

Telleman III (1760-1811) is eind twintig als hij in zijn vaders voetsporen treedt. In de periode rond de overname trouwt hij als 29-jarige met de 32-jarige Margaretha Planten (1757-1828). Zij stamt uit de vooraanstaande Doetinchemse familie Planten. Haar groot- en overgrootvader zijn chirurgijn, net als haar vader Evert Godfried Planten. Deze laatste is daarnaast rentmeester van de stad Doetinchem en later secretaris. Broer Evert Jan is ook chirurgijn in Doetinchem en later burgemeester van deze stad (1813-1831). In zijn geval inmiddels burgemeester in de vorm zoals wij deze nog steeds kennen. Broer Cornelis is predikant in Steenderen.

Margaretha’s eigen leven verloopt wat minder rooskleurig. Als ze 19 jaar oud is, trouwt ze in haar woonplaats Doetinchem met de bijna 30-jarige Hendrik Eeltink/Eltink (1746-1776). Het is een moetje, een schande in die tijd. Zoiets werd met een boete bestraft en in het breukenboek genoteerd. Daarmee had je een soort strafblad. Haar dochter Hendrika Carolina wordt al vier maanden na het huwelijk geboren. Maar …. op die dag blijkt echtgenoot/vader Hendrik inmiddels overleden te zijn.
Weduwe Margaretha blijft in Doetinchem wonen totdat ze in 1788, het jaar voor haar huwelijk met Telleman III, naar Bronkhorst verhuist. Leren ze elkaar daar vervolgens kennen? Komt ze in de herberg werken? Of is het nieuwe paar gekoppeld door haar broer Cornelis, predikant te Steenderen?

Opvallend is dat hun huwelijk niet in Doetinchem of Steenderen (waar Bronkhorst kerkelijk onder viel) is gesloten, maar in Loenen op de Veluwe. Ook dit tweede huwelijk van Margaretha is een moetje. Oudste zoon Jan wordt al na vijf maanden geboren. Wat Steenderen betreft: wilde haar broer Cornelis, de dominee, het paar mogelijk vanwege deze ‘schande’ niet trouwen? Een verband met de plaats Loenen zie ik nergens. Uit dit huwelijk worden vier zonen geboren.

Er zijn wel meer onbeantwoorde vragen. Hierboven konden we lezen wat Telleman aan bezittingen van zijn ouders heeft overgenomen. Je zou zeggen: een mooie uitgangspositie om de herberg op een solide basis voort te zetten. Zoals dat ook bij eerdere generaties is gegaan.
Maar … heeft Telleman III soms een gat in zijn hand? Proeft hij te veel en te vaak van het zelfgebrouwen gerstenat? Gooit Margaretha misschien roet in het eten? Feit is dat het paar binnen slechts enkele jaren op het gebied van betalen zo’n slechte naam heeft opgebouwd, dat Telleman III zich genoodzaakt voelt om in 1794 twee leveranciers voor het gerecht te laten verklaren dat hij hun rekeningen wel degelijk heeft voldaan. Het zullen toevalstreffers geweest zijn, want aanmaning na aanmaning blijft op de deurmat van De Gouden Leeuw vallen.
Eind 1796 wordt het een van de schuldeisers te gortig. Hij laat beslag leggen op huis, brouwerij en schuur en verder getimmer, where en hof. Telleman III is hem dan ook grote bedragen schuldig, onder andere wegens het leveren van een menigte kwijen, dekgarden, latten en standers tot het maken van stutten voor het Fransche Camp te Gorssel. Het gaat hier om bouwmaterialen. Blijkbaar probeerde Telleman III naast zijn bestaan als herbergier, kennelijk ook wat te verdienen aan de Fransen die van 1795 tot 1813 ons land bezet hielden. Dit door te fungeren als een soort aannemer of tussenpersoon. Onderzoek leert dat Franse soldaten inderdaad in 1796 gedurende enkele weken een groot kamp op de Gorsselse heide hadden opgeslagen. Mogelijk waren deze Fransen ook slechte betalers en leidde dit mede tot de financiële neergang van Telleman III.

Inmiddels zijn Margaretha’s ouders overleden. In februari 1797 wordt hun boedel verdeeld. Daarbij gaan enkele helften van boerderijen en meerdere landerijen over tafel. Daar moesten dan nog wel de studiekosten van haar broer Evert Jan van afgetrokken worden, voor zover ik begrijp, maar er zal toch zeker het een en ander bij Margaretha terecht zijn gekomen. Echter kennelijk niet voldoende om het onheil af te wenden.

In april 1797, twee maanden na deze erfenis, wordt de herberg met toebehoren geveild, daarbij omschreven als hun eigendommelijke behuizing en brouwerij in Bronkhorst, tuin, schuur, berg met de grond, berghof met de bouwhof, boomgaard en weiland, benevens een stuk bouwland in ’t Steenderse veld.
Het geheel wordt gekocht door Garrit Geerligs en zijn vrouw Hendrika Stoltenburg. De overdracht vindt uiteindelijk plaats op 21 november van datzelfde jaar. Het verkochte wordt daarbij omschreven als: het eigendommelijke huis, alsmede het varkenshuis, den hof, het brouwhuis en verder toebehoren, met de gehele wheere, binnen Bronkhorst op de hoek van de Kruisstraat kennelijk gesitueerd (..), voorts mede de schuur met de grond dwars tegen het eerste perceel staande en gelegen, en (..) de berghof met de bouwhof (..) aan de Bargstraat gelegen.
Los hiervan is door het paar gelijktijdig een perceel land verkocht aan de Heer van Bronkhorst, de Paardemaat genaamd, bij ’t Veer kennelijk gelegen. Het moet gezien de verkoopprijs een zeer groot perceel geweest zijn.

Telleman III lijkt zich inmiddels al enigszins teruggetrokken te hebben uit de Bronkhorster samenleving. We zien hem na medio 1794 niet meer optreden in de functie van gerechtsman of in andere functies. Of is hij gezien zijn situatie mogelijk niet herbenoemd?

Waar het paar na de overdracht van de herberg in 1797 eerst verblijft, is onbekend, maar in december 1799 verhuist het gezin naar Zutphen. Ook Margaretha’s voordochter verhuist mee.
In 1802, vijf jaar na de veiling, doet Telleman zowaar een poging weer wat bezit op te bouwen. Hij koopt vanuit Zutphen bouwland onder Bronkhorst met de naam De Koppele. Maar in 1806 is hij alweer genoodzaakt er een hypotheek op te nemen. Uiteindelijk wordt het perceel in 1808 verkocht.

Telleman III sterft in 1811 te Zutphen, 51 jaar oud. Margaretha keert in 1818 terug naar Bronkhorst. Samen met twee van haar dan nog drie levende zoons en de inmiddels 42-jarige voordochter. Het gezin woont er in huis nummer 16. Kennelijk een doorgangshuis, want in het Bevolkingsregister worden op dit adres steeds gezinnen in- en uitgeschreven. In 1823 verruilt ze Bronkhorst voor haar geboorteplaats Doetinchem, waar ze in 1828 op 71-jarige leeftijd overlijdt. Ze laat, het verbaast ons niet, geen bezittingen na.
Twee van hun zoons trouwen. Beiden werken als commies bij de Belastingdienst. Zoon Evert Jan Cornelis verhuist binnen de Achterhoek soms wel drie keer binnen een jaar.
Zoon Evert Godfried kiest na verloop van tijd een andere carriëre. In 1827 verhuist hij met zijn vrouw vanuit Zutphen naar Avereest in Overijssel. Hij is er achtereenvolgens dagloner, koopman, sluiswachter en arbeider. In 1847 wordt hij in Assen betrapt op bedelen: hij vraagt er de weduwe Dalen om een stuk brood. Dat wordt bestraft met acht dagen gevangenisstraf en daarna plaatsing in een bedelaarsgesticht, in dit geval Ommerschans (Overijssel). Een pauperparadijs, net als het veel bekendere Veenhuizen. Hij sterft er al na een maand.

Telleman III en vooral Margaretha zijn nazaten uit in die tijd niet de minste families. Toch hebben zij het niet gered en lijken vervallen tot het pauperdom.
Met hen eindigt in 1797 het verbond tussen De Gouden Leeuw en deze tak van de Van Londens. Een verbond dat misschien wel twee eeuwen, of langer, heeft bestaan. Een triest uiteengaan.

Met dank aan Carola Cijsouw-van Londen, Wim Knaake en Arno Overmars

Eerdere versies van dit artikel verschenen in het OTGB 2019-2 en de Zwerfsteen 2019-4