donderdag 30 april 2026

35. De familie Russer in Toldijk (Steenderen) 1736-1841

Als je anno 2026 Toldijk doorkruist via de Zutphen-Emmerikseweg (ZE-weg), passeer je driemaal de naam Russer. Tweemaal prijkt deze op een huis/boerderij (huisnrs. 67 en 69), eenmaal op een straatnaambord, de Russerweg. Daarnaast is de veldnaam De Russer er nog in gebruik.

Een indrukwekkende nalatenschap van een familie die slechts zo’n 100 jaar in Toldijk heeft gewoond: van 1736 tot 1841. Maar niet alleen verdween de familienaam uit Toldijk. Ook in de rest van ons land is deze op z’n retour. Tegenwoordig heet zelfs bijna niemand meer zo. In 1947 zijn er nog slechts 29 naamdragers, in 2007 zeventien. 

Het is Hendrik Russer (1706-1762) die de naam in 1736 naar Toldijk brengt. In 1752 zal zijn broer Waander Russer (1705-1759) volgen. Ze zijn geboren op de Russerplaats in Vierakker, ook wel Russerstede en Röster genoemd. Hun stamvader is Warner op Russerstede. Hij zal rond 1620 geboren zijn. De boerderij lag ca. 100 meter noord van Broekslag, Koekoekstraat 15, Vierakker.

Een stukje Toldijk (bron: Boerderij- en veldnamen in Steenderen, Doetinchem 2009) met de naam Russer omkaderd 























De Russerboerderijen in Toldijk

Het blijkt nog een hele zoektocht om te achterhalen wáár deze familie in Toldijk zoal heeft gewoond. Geregeld duikt in de geschriften daarbij ‘de Hietcole’ op. Met die naam worden op enig moment in Toldijk acht boerderijen aangeduid: zes aan de ZE-weg westzijde en twee aan de Hoogstraat. Vier daarvan blijken een band met de familie Russer te hebben, slechts één wordt soms al met die familienaam aangeduid: Jan Russersplaats (ZE-weg 65). De namen De Russer en De Kleine Russer moeten van latere datum zijn, of werden slechts in de spreektaal gebezigd.

Namen hebben de functie om dingen van elkaar te kunnen onderscheiden, dus wat betreft communicatie lijkt achtmaal Hietcole niet heel handig. Maar vroeger werden zaken meestal plaatselijk afgehandeld, en iedereen kende elkaar. Iedereen wist waar bijvoorbeeld ‘Jan op de Hietcole’ woonde.
Het zal de naam van het gebied zijn geweest. Hiet betekent heide. 


Overzicht van de Hietcoles aan de ZE-weg westzijde anno 1806 (bron: H.W. Rasch, bewerking
Bertus Rietberg) 

Als we echter anno nu willen weten wie bij welke boerderij hoorde, hebben we een probleem. Gelukkig heeft de Steenderense rechter H.W. Rasch in 1806 een overzicht samengesteld van wie eigenaar was van welk pand, en is per 1832 het Kadaster ingesteld. In het vanaf circa 1811 functionerende Bevolkingsregister vinden we vervolgens wie vanaf dan op welk adres woont. Dat biedt ons enigszins houvast, maar we zijn er nog niet.

Hendrik Russer heeft zich immers al ver voor die tijd in Toldijk gevestigd. Gelukkig zijn er voor de betreffende boerderijen ook andere namen in omloop. En met behulp van bewaard gebleven aktes zoals die van nalatenschappen en onroerend goed hebben we per boerderij een lijntje kunnen trekken naar de feiten die we kennen uit begin 19e eeuw. 




Hieronder een overzicht van de Russerboerderijen met alle namen waarmee ze ooit zijn aangeduid, en hun bewoners:

De Russer / Eijbergens Hietcole / Lenneps Hietcole / Hendriks / Hietcole, ZE-weg 67 (gesloopt in 1848, herbouw (pas) in 1933)
Zeer waarschijnlijk heeft Hendrik Russer (1706-1762) na zijn huwelijk in 1736 deze boerderij als pachter betrokken. Meerdere keren wordt ‘Hietcole’ in één adem met zijn naam genoemd. En van de andere Hietcoles kennen we de bewoners, dus...
De tweede naam verwijst naar Ludolph van Eijbergen, de Steenderense rechter die de boerderij in 1707 kocht. Via vererving komt hij begin 1800 in het bezit van ds. W.J. ten Cate, predikant in Ootmarsum. ‘Hendriks’ is de familienaam van een latere bewoner.
Hendrik Russer woont al in Toldijk als hij in 1736 in Steenderen trouwt met de Toldijkse Geesken Garrits Evers. Mogelijk werkte hij ergens als knecht en bleef hangen vanwege deze liefde.
Financieel gaat het hen niet voor de wind. Medio 1754 wordt er zelfs beslag gelegd op hun roerende goederen wegens een belastingschuld. Het gaat om drie gulden en drie stuivers. Dat was meer dan het nu lijkt. Ook in 1755 is het weer raak. En even later eisen twee personen hun aan Hendrik uitgeleende geld terug: in totaal 19 gulden en 10 stuivers plus rente.
Kort na 1757 verhuist het gezin naar Baak. Daar ook is hij in 1762 overleden.

De Russer, ZE-weg 67, Toldijk (eigen foto)






















Van enkele van hun tien kinderen hebben we geen verdere sporen gevonden. In elk geval niet in Toldijk.

1.       Jan Russer (1737-1753)
2.       Jan Russer (1738-1791). Hij trouwt in 1766 in Steenderen met weduwe Liesbeth Everts (+1792). Ze zijn per 1779 eigenaar van boerderij Veldkamp, Dollemansstraat 6 te Baak. Hij laat geen kinderen na.
3.       Garrit Russer (1740-1769) trouwt in 1765 met Jantjen Harmsen uit Steenderen. Ze wonen in Baak. Hij sterft jong, evenals zijn enig kind Hendrik (1765-1784).
4.       Willem Russer (ca. 1742-1789) trouwt in 1777 in Steenderen met Wilmken Bleumink (+1779) en hertrouwt in 1780 in Steenderen met Wilmken Kievekamp (+ vóór 1792) uit Hengelo (Varssel).
In 1780 woont hij op Imhuijsen, Toldijkseweg 26, Steenderen, in 1786 inmiddels in Hengelo (Gld). Zijn kinderen:
        4.a. Hendrik Russer (1778-1781) uit het eerste huwelijk
        4.b. Willem Russer (1781-vóór 1790) uit het tweede
        4.c. Leida/Leijde Russer (1782-na 1790)
        4.d. Hendrik Russer (1786-1869) trouwt in 1813 in Huissen met Joanna Vedder (1786-vóór 1825) uit die plaats. In 1825 hertrouwt hij in Arnhem met de Amsterdamse ontvangersdochter Geertruij Wilhelmina Catharina Rademakers. In 1813 is hij koetsier in Huissen, meteen daarna in Arnhem. Daar is hij in 1825 winkelier. Hij overlijdt in Hengelo (Gld). We vonden van hem alleen twee dochters.
5.    Aaltje Russer (*1743)
6.    Janna Russer (*1745)
7.       Anna Margarita/Anneken Russer (1745-1783) trouwt in 1774 in Steenderen met Steven Wassink(maat). Samen pachten ze boerderij De Kleine Emmer, Emmerweg 7, Steenderen. Na haar dood vertrekt Steven naar Hengelo (Gld).
8.       Grietjen Russer (1748-na 1775)
9.       Arend Russer (1750-1802) trouwt in 1775 in Amsterdam met Mietje Keijser uit die plaats. Ze wonen er eerst op de Prinsengracht, later aan de 2e Looiersdwarsstraat.
10.   Jannes Russer (*1754)
      Hendrik laat daarmee in Toldijk niemand met de achternaam Russer achter.

Het hek naast De Russer, ZE-weg 67, Toldijk (eigen foto)











Wissinkskampjen / Gerrit Sletteringsplaatsjen / Santbult, ZE-weg 10
Dit is de enige Russerboerderij die nooit met Hietcole is aangeduid. In het voorjaar van 1752 strijkt Hendriks broer Waander Russer (1705-1759) hier vanuit Nijmegen neer. Hij heeft de boerderij gekocht/geërfd van zijn schoonvader Garrit Evers.
Waander is 39 jaar oud als hij in december 1744 in Steenderen trouwt met Elsken Garrits Evers (+1767), zus van zijn schoonzuster Geesken. Twee broers getrouwd met twee zussen.
Hij is militair, en op dat moment in Zutphen gelegerd als kwartiermeester in 't Regiment Carabiniers (cavalerie) van brigadier Hooft van Oojen in de compagnie van ct. ritmeester Metelekamp. In die functie ben je belast met het zoeken van geschikte legerplaatsen, en met het toezicht op de levering van levensmiddelen, transportmiddelen en materieel. 

Het paar vestigt zich echter pas in 1752 in Toldijk. Eerst woont het in Zutphen en Nijmegen. Maar daaraan gaat nog iets vooraf.
Waander en Elsken moeten op z’n laatst in juni 1743 verkering hebben gekregen, want die maand heeft Waander haar bezwangerd: dochter Aaltje wordt in maart 1744 in Hengelo (Gld) gedoopt, negen maanden vóór hun huwelijk.
Je kunt je afvragen waarom het paar niet tijdens haar zwangerschap is getrouwd. Dat was immers vrij gebruikelijk. Misschien doordat Waander vanwege zijn soldatenbestaan ver van huis verbleef?
Bij de doop is hij in ieder geval wél aanwezig. Broer Hendrik en schoonzus Geesken zijn de getuigen.
En waarom vindt die doop in Hengelo (Gld) plaats? Een reden kan zijn dat de eigen predikant tijdelijk niet beschikbaar is. Daarvan is echter geen sprake, want in deze periode wordt in Steenderen gewoon gedoopt.
Wat opvalt is dat de tekst van de doopinschrijving totaal niet afwijkt van die van kinderen van gehuwde ouders. Gewoonlijk staat er dan zoiets bij als ‘buiten echt’ of ‘in onecht’ geboren. ‘Echt’ betekent hier ‘huwelijk’, denk aan echtpaar en echtgenoot. Meestal ook wordt de vader in zo’n geval niet genoemd.
Zou Waander naar de kerk in Hengelo (Gld) zijn uitgeweken om schande te voorkomen, en zich daar voorgedaan hebben als zijnde getrouwd? Wist die dominee veel… Bewijsmiddelen als een trouwboekje bestonden waarschijnlijk nog niet. Hij zal voor deze opvallende uitwijk dan wel een aannemelijke smoes gehad moeten hebben…
Of … Elsken is vanwege haar zwangerschap tijdelijk in Hengelo ondergebracht geweest…

Enkele van hun kinderen zijn in Nijmegen gedoopt: een garnizoensstad, net als Zutphen. Daar zullen ze vanwege Waanders beroep hebben gewoond. Zeer kort na de geboorte van zoon Gerret in februari 1752 moet het gezin naar Toldijk zijn verhuisd, want twee maanden later overlijdt daar een dochter.
Waander is dan 47 jaar. Rond die leeftijd gingen soldaten vaak al met pensioen. Misschien daarom dat ze naar Elskens geboortedorp zijn gekomen.
In oktober 1754 is hij inmiddels zóver in zijn nieuwe omgeving ingeburgerd dat hij (eenmalig) dienst doet als gerichtsman. Dat is een vrijwilliger die de plaatselijke professionele rechter assisteert.
Vijf jaar later overlijdt hij, 54 jaar oud.

Waander heeft zijn familienaam steviger in de bodem van Toldijk verankerd dan zijn broer Hendrik. Twee van zijn kinderen zorgen er voor nazaten, ook al kan alleen zoon Jan de naam Russer doorgeven.
1.     Aaltjen Russer (…. 1744-Toldijk 1765) is gedoopt in Hengelo (Gld). Ze trouwt in 1765 in Steenderen met Waander Jansen Heitink (+1796). In het Trouwboek staat als extra: ‘Deze zijn op en voor 't bed getrouwt, wijl de bruid de pokken krieg.’ Ze sterft meteen de volgende dag.
2.       NN Russer (Nijmegen ca.1748-Toldijk 1752)
3.      Jan/Johannes Russer (Nijmegen 1750-Toldijk 1815): zie bij De Grote Russer
4.    Gerret Russer (*Nijmegen 1752)
5.    Garritjen Russer (Toldijk 1754-Steenderen 1826) trouwt in 1777 met weduwnaar Hendrik Jan Hoge Wesselink (1744-1808). Zij trekt bij Hendrik Jan in op Hoge Wesselink, Dr. Ariënsstraat ca. nr. 33, Steenderen (nu een bedrijventerrein).

Na Waanders overlijden in 1759 erft zijn dan 9-jarige zoon
Jan Russer (1750-1815) een deel van het Wissinkskampjen, de rest ervan krijgt hij in 1767 na zijn moeders dood. Jan zal er niet gaan wonen. De boerderij wordt verpacht. Rond 1787 verkoopt hij deze aan zus Garritjen en haar man. Ook zij trekken er niet in. Zij blijven in Steenderen.

Assen Hietcole / Melgersplaatsjen / Reiger, ZE-weg 71
Waanders weduwe Elsken hertrouwt in 1761 later met Hendrik Jansen Reiger (ca. 1710-1781). Ze verhuist dan met haar drie dan nog levende kinderen (16, 10 en 6 jaar oud, zie boven) naar zíjn huis, de Assen Hietcole. Beide dochters krijgen bij die gelegenheid een bed met toebehoren toegezegd, zoon Jan het fijne linnen en de zilveren gespen van zijn vader.
De naam Assen Hietcole duikt vaak in geschriften op. Het naamdeel ‘Assen’ herinnert aan de fam. Assen. Zo is ene Aaltje Assen in 1654 eigenaar, en later ene Frerik Assen. Melgersplaatsjen verwijst naar de latere eigenaar Melger Jansen. Zijn dochter Janna Melgers (+1760) trouwt in 1731 met de al genoemde Hendrik Jansen Reiger. Na Janna’s overlijden hertrouwt hij dus met de weduwe van Waander Russer. Hendrik heeft bij testament bepaald dat de kinderen uit zijn eerste huwelijk later de boerderij zullen erven.
Jan Russer sr is zeventien als in 1767 ook zijn moeder sterft. Hij woont op dit adres van 1761 tot uiterlijk 1776 (zijn eerste huwelijk).

De Grote Russer / Jan Russersplaats / Hietcole, ZE-weg 65 (afgebroken in 1954)
De plaats waar deze boerderij stond, valt eenvoudig te bepalen. In 1788 wordt hij genoemd in de zinsnede ‘aan het einde van de dijk van Jan Russersplaats’ (de vroegere Russerdijk) en in 1795 in ‘de allee van Jan Russer of de Hietcole genaamd’. Zo weten we ook meteen wie er woonde: de eerdergenoemde Jan Russer sr (1750-1815). De boerderij is eigendom van de fam. Schimmelpenninck. Jan is dus pachter.

Handtekening van Jan Russer sr anno 1786 (bron: Tutele Richterambt Steenderen, inv.nr. 798)




De in Nijmegen geboren Jan zal er uiterlijk in 1776 bij zijn huwelijk met Geertruid Weideman (1757-1779) zijn ingetrokken. Zij komt van de Timmerplaats/Hietcole, Hoogstraat 6, Toldijk. Samen krijgen ze een zoon: Willem. Geertruid overlijdt echter al na drie jaar huwelijk, slechts 21 jaar oud.
Vijf maanden na haar dood hertrouwt hij met Johanna Jansen Revelman (1754-1823) uit Bronkhorst.
Voorafgaand aan dat tweede huwelijk wordt er zoals gebruikelijk een inventaris opgemaakt van de bezittingen van Jan en zijn eerste vrouw. Daaruit maken we op dat Jan drie koeien, twee eenwinters, twee kalveren, een paard en negen varkens bezit. In díe tijd een behoorlijk aantal. En verder: een hoge kar, ploeg, eegden (eggen?) en een stortkar; paardengereedschap met ketens en touwen; diverse gereedschappen op de deel, de goot en in de melkkamer; meubels in keuken en kamer; beddengoed; brandhout, vlas, doek en linnen.
De zilveren gespen die Jan 20 jaar eerder van zijn vader erfde, heeft hij nog steeds. Daarnaast bezit hij onder meer een zilveren haak en oog, en het Nieuwe Testament met zilveren klampen. Er liggen ook een paar nog onbetaalde rekeningen, zoals voor ‘het hengsten van twee paarden’, ‘het timmeren van de doodkist’, pacht, en loon voor knecht en meid. 


    Een zilveren gesp uit de 18e eeuw (bron: haffmansantiek.nl)



Bijbel met zilveren klampen uit de 18e eeuw (bron: invaluable.com)



Geleden schade
In maart 1784 wordt Steenderen en omgeving geteisterd door 'een zware overstroming van 's lands rivieren'. Gelukkig zijn er enkele ‘vaderlands- en menslievende inwoners’ die geld inzamelen voor de getroffenen. Ook de overheid springt bij. Iedereen kan zijn ‘verloren beesten of paarden’ melden, en ontvangt geld om nieuw vee te kopen. Ook wordt er hooi uitgedeeld.
Van Jan Russer zijn er bij die gelegenheid drie kalveren omgekomen en drie zakken aardappelen verloren gegaan. Naast geld ontvangt hij 400 eenheden hooi.
In 1794 en 1795 lijdt hij zoals vele anderen schade door - en wordt verplicht te werken voor - de toenmalige Franse bezetter en zijn huurlingenlegers. Zo verzorgt Jan 26 dagen lang ‘spandiensten met kar en paard’ voor de troepen uit de Duitse regio Hessen-Darmstadt, elf dagen voor die uit Hannover, en 4,5 dag voor de Fransen zelf.
Verder wordt hem 300 pond stro en daarnaast hout ‘afgeperst’. Ook moet hij voor de bezetters een peppel (populier) omhakken en vervoeren.
In 1805 is ons land nog steeds bezet. Jan moet dan een dag of drie onderdak verlenen aan een soldaat van het zesde Frans Keizerlijke Huzarenregiment uit Zutphen en zijn paard.

Divers
In 1784 is er een lijst opgemaakt van ‘weerbare mannen’, mannen die opgeroepen kunnen worden om bijvoorbeeld te helpen bij het onderhoud van de wegen. Die moeten steeds in goede staat verkeren opdat het leger zich zo nodig vlot kan verplaatsen. Ook Jan wordt daarop genoemd. Zelfs zijn twee zonen staan erop, al zijn die dan pas 6 en 2 jaar oud. En een kostganger, een jongen van 12.
Vijf keer in zijn leven wordt Jan tot voogd benoemd van (half)wees geworden kinderen.
In 1807 doneert hij middels een collecte drie gulden voor het schilderen van het kerkorgel door fijnschilder IJ. Brandz van Zutphen. Een gemiddeld bedrag.

Jan heeft acht kinderen, de oudste samen met Geertruid, de andere met Johanna.
1.       Willem Russer (1777-1799). Zie bij boerderij Timmerplaats (zie onder)
2.       Geertruida Russer (1780-1836) trouwt in 1813 in Steenderen met haar neef Arend Wesselink (1778-1842), zoon van tante Garritjen Russer. Het paar bezit in 1832 het Wissinkskampjen (zie boven), die nog van haar grootvader Waander Russer is geweest. Zelf wonen ze als pachters op  Arends ouderlijke boerderij: Hoge Wesselink (zie bij Garritjen Russer).
3.       Jan Russer (1782-1841). Zie onder.
4.       Elsken Russer (1785-1785)
5.       Elsken Russer (1786-1867), mijn voormoeder. Ze trouwt in 1810 in Steenderen met Steven Pennekamp (1778-1823). Ze boeren op de Grolsplaats, Hoogstraat 2, Toldijk. Na zijn overlijden hertrouwt Elsken in 1824 in Steenderen met Willem Hogenkamp (1794-1872). In 1832 is de boerderij hun eigendom. Zoon Jan Pennekamp zal in 1846 de pacht van de Grote Russer overnemen van zijn dan inmiddels overleden oom Jan Russer.
6.       Mechelina Russer (1789-1850) huwt in 1817 in Steenderen met Jan Memelink (1785-1858). Zij trekt bij hem in op boerderij In den Bos, ZE-weg 32, Toldijk. Recht tegenover de Grote Russer.
7.       Aaltje Russer (1791-1866) trouwt in 1821 in Steenderen met landbouwer Albert van ’t Schaar (1776-1854) uit Spankeren. Zij wonen op ’t Schaar, Bockhorstweg 10, Spankeren.
8.       Anna Russer (1794-1865) trouwt in 1822 weduwnaar Herman Wesselink (1792-1837), broer van haar zwager Arend. Ze pachten de Roodheuvel, Hoogstraat 21, Toldijk. Anna woont daar ook na haar hertrouwen in 1840 in Steenderen met Gerrit Jan Bloemendaal (1810-1882).

Hieruit volgt dat alleen zoon Jan jr (zie nr. 3 hierboven) de naam Russer in Toldijk in stand zal kunnen houden. Hij is er op dat moment nog de enige mannelijke Russer.

Deze Jan Russer jr neemt de pacht van De Grote Russer over. In 1817 trouwt hij in Steenderen met Johanna Hiddink (1791-1853) uit Baak.
Ze krijgen dertien kinderen, van wie er zes volwassen worden.
1.       Johanna Russer (1818-na 1869). Ze trouwt in 1857 in Zelhem met metselaar, later arbeider, de             weduwnaar Jan Jansen (1806-1869). Hij overlijdt in Zelhem (Winkelshoek).
2.       Berendina Russer (1819-vóór 1821)
3.       Jan Russer (1820-1838)
4.       Berendina Russer (1821-1858). Ze trouwt in 1857 in Steenderen met dagloner Evert Huetink (1830-1867)
5.       Jacobus Lubbartus Russer (1823-1860). Hij trouwt in 1851 in Zelhem met Fredrica Woolschot (1816-1888). Hij is landbouwer in Zelhem (Velswijk).
6.       Elsken Russer (1824-1865). Ze trouwt in 1854 in Steenderen met timmerman Arend Gaijkhorst (1824-1897). Het paar woont in Toldijk.
7.       Willem Russer (1825-1876). Hij trouwt in 1861 in Zelhem met Aaltjen Berkelaar (1831-1907) uit Zelhem. Hij is landbouwer in Spankeren, per 1866 in Eerbeek, en overlijdt in Arnhem als arbeider.
8.       Aaltjen Russer (1827-1827)
9.       Geertruid Russer (1829-1829)
10.   Geertruid Russer (1830-1830)
11.   Jantjen Russer (1831-1833)
12.   Steventjen Russer (1833-1908). Ze trouwt in 1866 in Zelhem met landbouwer Barend Berkelaar (1825-1901), broer van haar schoonzus Aaltjen. Ze wonen in Eerbeek.
13.   Jantjen Russer (1835-1855)

Met Jans dood in 1841 sterft de laatste Russer in Toldijk. Al blijven enkele van zijn kinderen er nog wonen tot hun verhuizing naar Zelhem (Velswijk) in 1846. Tot dat jaar houdt Johanna de boerderij nog draaiende. In Velswijk bestiert ze opnieuw een boerderij.
Neef Jan Pennekamp, zoon van Jans tante Elsken Russer, neemt de pacht over. Acht jaar later zal hij naar Bronkhorst verhuizen.

Dan nog een Russerboerderij waar de familie niet heeft gewoond:

De Timmerplaats / Lubbert Jansenstede / Hietcole, Hoogstraat 6
(Vóór 1700 ook Lenneps Muijsegat en Droge Warnerstede genoemd)
Over de tweede naam: in 1684 is Lubbert Jansen uit Vorden ingetrouwd op de gepachte Timmerplaats, in 1698 koopt hij de boerderij.
Medio 18e eeuw is de Timmerplaats eigendom van de ouders van Geertruid Weideman (1757-1779), de eerste vrouw van Jan Russer sr (1750-1815). Zij sterft al snel, zodat hun zoontje Willem Russer (1777-1799) in 1782 rechtstreeks van zijn oma een tiende deel erft. Jan koopt er ook zelf in 1787 en 1791 delen van. In 1799 erft hij van zijn inmiddels overleden zoon Willem, in 1806 blijkt hij volledig eigenaar.
Volgens het Kadaster anno 1832, zeventien jaar Jans zijn dood, is de boerderij eigendom van ‘de erven Russer’. Kort daarna wordt Jan Russer jr (1782-1841) de enige eigenaar. En weer zes jaar na zíjn dood wordt de boerderij verkocht. De hoeve zal tot 1847 in de (aangetrouwde) familie blijven.
(Zie voor mee info over deze boerderij Blog 34 Over boerderij Timmerplaats...)


Het naambord op De Kleine Russer, ZE-weg 69 (foto: Bertus Rietberg)   











Blijft over boerderij De Kleine Russer:

De Kleine Russer / Hietcole, ZE-weg 69
Wat de naam ook doet vermoeden, we hebben er geen Russer kunnen ontdekken.
Van vóór 1770 tot ten minste 1806 is de boerderij eigendom van de familie Toewater. In 1832 van de Zutphense smid Hendrik Reesink. Later van de familie Aalderink.
Vanaf 1744 (mogelijk al per 1732) hebben we de bewoners kunnen achterhalen. In die rij is geen plek voor Hendrik Russer die dan al enkele jaren in Toldijk woont (zeer waarschijnlijk op De Russer). Al moeten we natuurlijk steeds een slag om de arm houden.
Die oudst ons bekende bewoner is Derk Hendriks van de Hietcole (+1749). Na zijn dood hertrouwt zijn weduwe Mechteld Jansen Muller met Waander Derksen Herink. Hun dochter Dersken Herink (1750-1807) neemt de pacht over. Na een kort eerste huwelijk hertrouwt ze in 1786 met de uit Warnsveld ingevlogen Harmen Aalderink (1758-1826). Hun zoon Hendrik (1794-1876) zal de pacht overnemen. Op enig moment na 1832, mogelijk in 1843, kopen de Aalderinks de boerderij van Reesink. Hij gaat van zoon op zoon totdat de familie in 1960 er voor zichzelf een nieuw huis naast bouwt. De oude boerderij wordt eerst verhuurd, later verkocht.


De veld- en straatnaam Russer

De veldnaam De Russer
Russer is (ook) de naam van het gebied achter het rijtje Hietcoles langs de ZE-weg. Jan Russer sr was er eigenaar van menig perceel. Voldoende om de naam te verklaren. Ook Jan Russer jr bezit er grond.

De Russerdijk / Russerweg
De Russerdijk is verdwenen. Het begin ervan wordt tot op heden gemarkeerd door een dikke paal in een beukenhaag langs de ZE-weg, zo’n 15 meter ten noorden van de huidige Russerweg. Deze Russerdijk vormde destijds de toegangsweg tot kasteel Holthuizen.


    De Russerweg in Toldijk (eigen foto)



De betonnen paal die het begin van de vroegere Russerdijk markeert (foto: Bertus Rietberg)


Met het overlijden in 1841 van Jan Russer jr verdween de familienaam uit Toldijk. Maar als je door Toldijk rijdt, zou je dat niet zeggen.
Dankzij een paar vrouwelijke nazaten zijn er echter wel wat Russergenen achtergebleven.

Met dank aan Bertus Rietberg

Een deel van deze tekst verscheen in 2025 in het OTGB en De Zwerfsteen verspreid over twee artikelen: De naam Russer in Toldijk, en Hoe Russer uit Toldijk verdwijnt

Genealogische noot

Overzicht van mijn afstamming van de Russers
Waander Russer                        1744 Elsken Garrits Evers
Jan Russer                                 1779 x Johanna Jansen Revelman
Elsken Russer                            1810 x Steven Pennekamp
Johanna Pennekamp               1842 x Teunis Garritsen Hartman
Tonia Johanna Hartman          1868 x Arend Gerhard Garritsen
Harmen Garritsen                   1906 x Aleida Berendina ten Broek
Marinus Garritsen                   1939 x Gerrie Busser
Alice Garritsen

Bronnen:
Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers (ECAL)
Gelders Archief
www.cbgfamilienamen.nl
www.wiewaswie.nl


woensdag 19 maart 2025

34. Over boerderij Timmerplaats / Lubbert Jansenstede / Hietcole, Hoogstraat 6, Toldijk

Begin 19e eeuw is deze boerderij eigendom van mijn voorvader Jan Russer (1750-1815). Aanleiding genoeg voor onderzoek naar de andere eigenaren door de jaren heen, en naar de bewoners.
De Timmerplaats wordt vóór 1700 ook wel Lenneps Muijsegat (1663) en Droge Warnerstede (1698) genoemd. Van deze twee namen, maar ook van de naam Timmerplaats, kennen we de herkomst niet, al zal ‘Lennep’ duiden op een eerdere eigenaar. Timmerplaats zien we voor het eerst in 1692.
In 1684 en later wordt zij (ook) aangeduid met Hietcole (hiet = heide). In Toldijk heten op enig moment acht boerderijen Hietcole: zes aan de Zutphen-Emmerikseweg westzijde en twee aan de Hoogstraat. Heel fijn dat er voor die boerderijen ook andere namen in omloop zijn.
Vóór 1663 is stadholder Coenraad van Munster (1594-1666) de eigenaar. Na zijn overlijden erft dochter Johanna Margaretha (1642-1722) de boerderij. Zij is getrouwd met Frans Cuijper van Holthuijsen (1636-1726), burgemeester van Deventer. De ‘Hietcole of Droge Warnerstede’ wordt in 1698 door hen verkocht aan Lubbert Jansen (vandaar Lubbert Jansenstede) en Elsken Berends, de toenmalige bewoners.

De huidige woning aan de Hoogstraat 6 in Toldijk

Hieronder een overzicht van bewoners en latere eigenaren (voor zover bekend): 

Joost Jansen (+1684) x Elsken Berends (+1724)
Joost en Elsken zijn de oudste bewoners/pachters die we kennen. Zij hebben twee kinderen:

-          zoon Jan Joosten (ca. 1679-vóór 1734) zal rond 1713 boerderij de Grote Hietcole stichten, aan de Hoogstraat 10 (zie Boerderij de Grote Hietcole
-          zoon Berend Joosten (1680-1761) pacht per 1712 de Spittaler Hofstede, Hoogstraat 4.
Deze drie boerderijen van ouders en twee zonen liggen naast elkaar. Op nummer 8 zal pas in 1911 een huis verrijzen. 

Elsken Berends (+1724) x Lubbert Jansen (+1729)
In augustus 1684, drie maanden na het overlijden van Joost, hertrouwt Elsken met de eerdergenoemde Lubbert Jansen uit Vorden, zoon van ene Jan Enserink. Lubbert trekt bij haar in. Samen krijgen ze een dochter, Anna Margarita Lubberts.
In 1698 gaan Lubbert en Elsken over tot koop van de door henzelf bewoonde en gepachte boerderij. Het gaat hen kennelijk goed, want vervolgens kopen ze in 1714 de naastgelegen Spittaler Hofstede én in 1715 het derde deel van het Keersemakersland.

Op het moment van koop wordt de Spittaler Hofstede gepacht door hun (stief)zoon Berend Joosten (1680-1761) en zijn vrouw Hilleken Hilverink. Berend heeft de boerderij per Petri 1712 voor negen jaar gepacht (Petri = Sint Peter: 22 februari, de vaste pachtwisseldatum), dus tot Petri 1721. Toch zegt stiefvader Lubbert Jansen hem al per Petri 1719 de pacht op. Daar gaat Berend niet mee akkoord en stapt naar de rechter.  
Terzijde: In 1717 is Berend door de vorige eigenaar aangesproken op een pachtschuld uit 1714. Of hij ook zijn stiefvader zo slecht betaalt, weten we niet. Zo ja, dan zou dát de reden tot de opzegging kunnen zijn.

Berend Joosten is niet blij met deze opzegging door zijn stiefvader. Kennelijk zit er bij hem ook nog oud zeer vanwege de erfenis van zijn eigen vader, Joost Jansen (+1684). Heeft Berend destijds wel gekregen waar hij recht op heeft? Hij denkt van niet en eist daarom via het gerecht een ‘authentieke kopie’ van de inventaris die destijds in 1684 vóór het hertrouwen van zijn moeder opgemaakt moet zijn. Stiefvader Lubbert moet deze akte in zijn bezit hebben, maar kennelijk weigert hij dat document aan zijn stiefzoon te overhandigen of … het bestaat helemaal niet.
Als de plaatselijke schout Berends verzoek aan Lubbert overhandigt, antwoordt deze: ‘‘t is wel, ik meen het wel richtig te maken (Het is goed, ik denk het wel te kunnen oplossen)’.
Maar dat lukt hem niet. Lubbert verklaart dat het document wel degelijk bestaat, en dat Berend het zelfs heeft gelezen, maar dat hij niet weet waar het nu is. Daar gelooft Berend niks van. Enkele maanden later beschuldigt hij zijn moeder Elsken Berends er zelfs van dat ze met Lubbert hertrouwd is zonder haar zaken goed te regelen. Iets wat ‘ingevolge het landrecht dezer graafschap’ verplicht is.
Slechts kort voor de datum waarop Berend de Spittaler Hofstede zou moeten verlaten, komt hij met een doorslaggevend argument. Namelijk dat Lubbert Jansen bij de koop de geldende pachtovereenkomst heeft overgenomen. En die loopt nog tot Petri 1721. Berend hoeft dus niet te vertrekken.
Vervolgens maken zijn moeder en stiefvader begin 1723 hun testament op: na het overlijden van zijn moeder zal Berend de Spittaler Hofstede erven. Een jaar later al overlijdt ze en wordt hij daadwerkelijk eigenaar. Uiteindelijk dus veel gedoe om niks.

Maar … dat Berend Joosten na Petri 1719 op de Spittaler Hofstede mag blijven, is op dat moment een behoorlijke tegenvaller voor Lubbert en Elsken. Dit omdat ze de boerderij inmiddels per die datum voor twaalf jaar aan ene Jan van Grol hebben verpacht. Wat nu te doen? Lubbert weet het goed gemaakt: Jan van Grol mag in plaats hiervan Lubberts eigen Hietcole pachten, ‘met alle landerijen daaronder gehorende’. Ook voor twaalf jaar. Hiermee wordt de Timmerplaats bedoeld, waar ook Lubbert en zijn vrouw wonen. Zelf is hij niet meer de jongste en de kinderen zijn de deur uit. Maar ook hijzelf boert er door.
Tussen deze Jan en Lubbert botert het niet. Daarom zegt Lubbert hem al na twee jaar de pacht op. Jan dient de Hietcole per Petri 1722 te verlaten. Ook dient hij zijn achterstallige pacht te betalen.
Maar Jan vecht terug. Hij voert meerdere redenen aan voor het niet nakomen van zijn betalingsverplichting. Zo laat Lubbert zijn koeien al van het begin af aan in een door Jan gepacht weiland grazen. Ook woont Lubbert in een ‘kamer’ (woonruimte) van de door Jan gepachte Hietcole zonder daar huur voor te betalen. Daarbij heeft hij ook nog de rogge van Jans grond laten maaien en zich toegeëigend. Om te voorkomen dat hij ook nog zijn boekweit inpikt, schakelt Jan de rechtbank in en neemt daarbij maar liefst twee advocaten in de arm. Zijn schadebedrag lijkt hoger dan de door Lubbert opgeëiste pacht, want op zijn beurt eist hij geld van Lubbert.
Jan van Grol zal de Timmerplaats uiterlijk 1734 hebben verlaten, want dan komen er nieuwe bewoners.

Na de dood van Elsken Berends in 1724 erft haar andere zoon, Jan Joosten (ca. 1679-<1734), haar Hietcole. Zelf woont Jan met zijn vrouw Gerritje Breukink (ca. 1688-1748) op de Grote Hietcole, ook zijn eigendom. Weduwnaar/stiefvader Lubbert blijft op de ‘Lubbert Jansenstede’ wonen. Dit met de bepaling dat ‘zo door krijg of brand – ’t welk God verhoede – het huis kwam te verongelukken, zo zal Lubbert niet gehouden wezen ’t zelve wederom te laten optimmeren’. Mocht de Hietcole door oorlog of brand verwoest worden, dan is Lubbert niet verplicht de boerderij te herbouwen. Hij overlijdt in 1729.

Bijzonder patroon
Vanaf hier zien we een bijzonder patroon. Driemaal wordt bij elk nieuw echtpaar als het ware een estafettestokje doorgegeven. Telkens is de ingetrouwde partner de langstlevende en brengt vervolgens een nieuwe partner in. Zo kan het gebeuren dat (de erfgenamen van) de kinderen uit het eerdere huwelijk van Gerritje Breukink (zie boven en onder) ten tijde van het vierde echtpaar nog steeds mede-eigenaar zijn.

Eerdergenoemde Gerritje Breukink (ca. 1688-1748) (weduwe van Jan Joosten) x Egbert Weideman (+1762)
Na Jan Joostens overlijden hertrouwt Gerritje in 1734 met Egbert Derks Weideman uit Wichmond. Het nieuwe paar vestigt zich op de aan haar toebedeelde Timmerplaats.
Nadat Gerritje in juni 1748 zelf ook is overleden, erven haar kinderen Joost en Aaltje Jansen samen haar helft van de boerderij. Hun stiefvader Egbert behoudt de bij huwelijk verkregen andere helft.
Slechts een maand na deze verdeling zegt Aaltje haar stiefvader de pacht op van haar (vierde) deel. Ze eist dat Egbert de boerderij tegen Petri 1749 verlaat. Maar kort voor die datum komt er een overeenkomst waarmee een ieder kan leven: Egbert krijgt de nagelaten boedel van Gerritje, het landbouwgereedschap en het groeiende zaadgewas op de akkers. Daar staat tegenover dat hij aan Joost en Aaltje een bepaald bedrag moet betalen. Daarmee is de kou uit de lucht en kan Egbert op de boerderij blijven.
Kort voor haar moeders overlijden is Aaltje getrouwd met de Toldijkse Derk Nijkamp (1721-1802). Het paar vestigt zich op de naastgelegen Grote Hietcole, die in 1734 is geërfd door haar broer Joost Jansen (+1778).

Egbert Derksen Weideman (+1762) x Wendelina Wentink (1723-1782)
In 1749, een jaar na het overlijden van Gerritje, hertrouwt Egbert met Wendelina Wentink uit de Lamstraat in Toldijk. Tussen 1750 en 1761 worden zes kinderen geboren. Een zoon overlijdt jong, een andere is vertrokken naar ‘Guinee’.
Net zoals stiefdochter Aaltje eerder deed, zegt nu ook stiefzoon Joost Jansen (die zelf in Zutphen woont) Egbert Weideman de pacht op, en wel in juli 1752. Hij eist dat Egbert de Hietcole voor Petri 1753 verlaat. Die reageert met: ‘Het is goed, ik zal van de boerderij afgaan, maar op mijn portie dat ik daar aan heb, blijven wonen.’ Hij blijft zitten op zijn helft van het eigendom.
Na Egberts overlijden in 1762 erft Wendelina hun helft van de ‘Lubbert Jansenstede of Hietcole’, haar kinderen krijgen geld.

Wendelina Wentink (1723-1782) x Berend Gesink (1732-1802)
In december 1762, een half jaar na Egberts overlijden, hertrouwt de 39-jarige Wendelina met de negen jaar jongere Berend Gesink uit Vorden.
Berend heeft dan wel geen eigen kinderen, maar met zijn stiefkinderen heeft hij het een en ander te stellen.
Zo brengt stiefdochter Mechelina Weideman (1754-1842), dan 19 jaar oud, eind oktober 1773 met twee vriendinnen een hele avond en nacht door in een Steenderens café. Met hun ‘gezuip, getier, dronkenschap en grove onordentelijkheden’ hebben ze de mededorpsbewoners ‘tot grote opspraak’ gebracht. Was het destijds al ongehoord dat meiden samen in een café zaten, het gebeurde ook nog eens op een zondag.
En op zekere dag in 1775 is een van zijn stiefzonen onder de heg van buurman Joost Berendsen op de Spittaler Hofstee grond aan het ‘afplaggen’. Nadat Joost dit de jongen verboden heeft, haalt deze een spade uit zijn huis en gaat diezelfde grond vervolgens omspitten. Berend Gesink is met hem meegekomen en begint met zijn buurman ruzie te maken. Hij grijpt Joost vast en probeert hem in de doornenhaag te duwen. Om niet achterover te vallen, houdt Joost op zijn beurt Berend vast. Tegelijkertijd slaat deze laatste tot tweemaal toe Joost zeer hard met een greep (mestvork) op zijn arm waardoor die gekneusd raakt en later 'blond en blauw' ziet. Daarbij lukt het Berend om Joost alsnog in de doornenhaag te duwen. Daarin valt Joost op een stomp van een boomstam waarmee hij zijn ‘ruggengraat’ bezeert. Deze verwondingen zijn vastgesteld en behandeld door J. Strobelt, chirurgijn te Bronkhorst.
Joost is een zoon van eerdergenoemde Berend Joosten (1680-1761) en heeft inmiddels zijn vaders boerderij geërfd. Daarnaast is hij metselaar. 

Na het overlijden van Wendelina in 1782 wordt hun helft van de Hietcole verdeeld. Haar gezamenlijke voorkinderen Weideman erven een kwart, evenals echtgenoot Berend Gesink. Kleinzoon Willem Russer (zoon van haar overleden dochter Geertruid Weideman) krijgt daarbij een tiende ‘van huis, hof en land’. Geertruid was getrouwd met Jan Russer sr. (1750-1815). Hem zullen we nog terugzien.

Berend Gesink (1732-1802) x Janna Jansen
In 1784 hertrouwt Berend met Janna Jansen, een weduwe in Baak. Daarbij wordt het patroon doorbroken. Janna komt niet naar de Timmerplaats, zoals hierboven nieuwe echtgenoten steeds doen, maar hij trekt bij haar in op pachtboerderij Zuidendorp / Kaatmansplaats, Dollemansstraat 8 te Baak. Drie jaar later kopen ze deze hoeve.
Berend overlijdt in 1802. Volgens het overlijdensregister is hij doodgeschoten. Helaas hebben we hierover geen nadere gegevens kunnen vinden. 

Meteen na Berend Gesinks vertrek in 1784 wordt de Timmerplaats verpacht aan Berend Klein Lenderink (1744-1813) en Christina Jansen (1749-1785). Berend is geboren in Hengelo, maar woont later in Nijmegen. Misschien als soldaat, want Nijmegen was een garnizoensstad. Christina komt uit Steenderen. Voor haar huwelijk woont ze in Rotterdam. Mogelijk werkt ze er als dienstmeid. Hun huwelijk in 1780 staat zowel in Steenderen als in Nijmegen en Rotterdam ingeschreven.
Christina is een ongehuwde moeder: ze heeft al een kind, Hendrica, geboren in 1772. Tijdens de huwelijksplechtigheid zit het dan achtjarige meisje naast haar moeder, zo staat in het trouwboek geschreven. Het lijkt erop dat Berend wel degelijk de vader is. In de periode 1773-1777 heeft Christina meerdere rechtszaken tegen hem aangespannen en beslag gelegd op zijn bezittingen. Ze doet dit om geld te verkrijgen voor kraamkosten en onderhoud van het kind. Dit alles op basis van een vonnis van het Hof van Gelre (volgens ‘ener Hoves sententie’). Er is dus zelfs een ‘hogere’ rechter aan te pas gekomen.
De onderlinge sfeer lijkt daarmee niet optimaal. Ondanks dat trouwt dit koppel enkele jaren later alsnog met elkaar.
Christina sterft in juni 1785. Drie van haar vier kinderen lijken dan nog te leven, al zal een dochter spoedig daarna sterven. Vier maanden later hertrouwt Berend, 41 jaar oud, met de 25-jarige Vordense Janna Luunk (1761-1820). Dit nieuwe paar zal samen nog negen kinderen krijgen van wie er zes volwassen worden.

In 1786 komt Derk Nijkamp (1721-1802) - weduwnaar van eerdergenoemde Aaltje Jansen (+1765) - om de hoek kijken. Hij heeft haar kwart van de Timmerplaats geërfd en eist dat pachter Berend Klein Lenderink vertrekt. Net als in 1748 komt ook dit weer goed. Van de erfgenamen van Aaltjes broer Joost Jansen (+1778), die ook een kwart bezitten, horen we niets.
In 1787 is op de boerderij sprake van een kamervrouw, een vrouw die er in een aparte ruimte woont. Net als rond 1720 wordt de Timmerplaats dus door twee huishoudens bewoond.
Ergens tussen het overlijden van Berend Klein Lenderink in 1813 en het jaar 1820 verhuist weduwe Janna Luunk met zoon Arend en haar jongste kinderen naar de Grote Hietcole. Arend wordt er pachter.

Na hun vertrek wordt de Timmerplaats door opeenvolgende bewoners gepacht. Ook dán is steeds sprake van dubbele bewoning.

Handtekening van Jan Russer uit 1786 (1750-1815)

Met de eigendom loopt het als volgt:

Jan Russer sr. (1750-1815) x Geertruid Weideman (1757-1779) x Johanna Revelman (1754-1823)
Jan Russer is een schoonzoon van Wendelina Wentink en Egbert Weideman. Hij woont op de Grote Russer, Zutphen-Emmerikseweg 65, Toldijk.
In 1787 koopt hij Berend Gesinks kwart van de Timmerplaats, in 1791 Derk Nijkamps kwart. In 1799 erft Jan het tiende deel ervan van zijn dat jaar overleden zoon Willem (1777-1799). Dat deel stamt van Willems grootmoeder Wendelina Wentink. Op enig moment moet Jan Russer ook de rest hebben gekocht, want in 1806 blijkt hij eigenaar van deze gehele Hietcole.
Na zijn overlijden in 1815 zal het nog jaren duren voordat de erfenis wordt verdeeld. Zelfs in 1832 staan in het zojuist ingestelde Kadaster nog de ‘erven Jan Russer’ als eigenaren vermeld. Niet lang daarna vervalt deze definitief aan Jans zoon en naamgenoot (1782-1841).
In 1847, zes jaar na de dood van Jan Russer jr., wordt de boerderij verkocht aan korenmolenaar Jan Joosten (1793-1856) en Geesken Wentink (1804-1865).
Deze laatste Jan is een nazaat van eerdergenoemde Berend Joosten. Hij is ook eigenaar van de naastgelegen Spittaler Hofstede (Hoogstraat 4) en de Toldijkse molen, later Pennekampsmolen geheten, aan de Zutphen-Emmerikseweg westzijde.
(Zie ook artikel 34 - De familie Russer in Toldijk (Steenderen) van 1736 tot 1841)

Genealogische noot
Overzicht van mijn afstamming van Jan Russer
Jan Russer                                 1779 x Johanna Jansen Revelman
Elsken Russer                            1810 x Steven Pennekamp
Johanna Pennekamp                 1842 x Teunis Garritsen Hartman
Tonia Johanna Hartman            1868 x Arend Gerhard Garritsen
Harmen Garritsen                      1906 x Aleida Berendina ten Broek
Marinus Garritsen                      1939 x Gerrie Busser
Alice Garritsen


dinsdag 4 februari 2025

33. Ongehuwd zwanger in de 18e eeuw in Steenderen

Tegenwoordig kijkt men er niet van op als ouders een kind krijgen - of zwanger zijn - zonder dat ze getrouwd zijn. Medio 20e eeuw sprak men er nog schande van. Maar ruim twee eeuwen geleden kwam in Steenderen zelfs Justitie er nog aan te pas.

Zo’n ‘wandaad’ werd daar in die tijd standaard bestraft met een boete van 12 gulden en 10 stuivers. Dat was veel geld in die tijd. Een boete ook die hoger is dan wanneer je iemand ‘een gat in de kop geslagen’ hebt.

In het Breukenprotocol het overzicht van opgelegde boetes - van Steenderen staan vele gevallen vermeld: dit te midden van andere overtredingen, zoals beledigingen, mishandelingen en dronkenschap. Zo krijgt de dochter van Gerrit Egbers in 1748 een boete omdat ze zich ‘buiten echt heeft laten bezwangeren, en van een dochter gekraamd heeft.’ Buiten echt wil zeggen: ongetrouwd. Denk aan ons woord echtpaar.

Zelfs als je netjes drie maanden voor een geboorte bent getrouwd, ook wel een ‘moetje’ genoemd, ontspring je de dans niet. Dat overkomt Reintje Huetink (1745-1774), dochter van Arend Huetink op boerderij De Halve Welle (onder Bronkhorst).

Op 20 mei 1770 trouwt ze met Willem van Londen (1740-1818), zoon van de herbergier van herberg  De Gouden Leeuw in Bronkhorst. Op 26 augustus, drie maanden later, wordt dochter Elsken geboren. Evenzogoed staat Reintje in het Breukenprotocol genoteerd: ‘is de dochter van Arent Huetink in den Baakerweert, zijnde getrouwt aan W. van Londen, met ¼ jaar in de kraam gekomen’.

Bron: Richterambt Steenderen, Breukenprotocol, 3021/787

Vier jaar later sterft Reintje al, slechts 29 jaar oud. Mijn voorvader Garrit Arends (ca. 1725-1789)
- zwager van Arend en daarmee een oom van Reintje - wordt benoemd tot een van de voogden over haar inmiddels twee kinderen.

Eerdere versies van dit verhaal verschenen in:

-          De Zwerfsteen (Historische Vereniging Steenderen) 2024-03
-          OTGB (Oostgelders Tijdschrift voor Genealogie en Boerderij-onderzoek) 2024-04 

Meer lezen over Garrit Arends? Dat kan via de volgende links:
De veermannen van het Bronkhorsterveer vanaf 1696
Boerderij Steenweert in Bronkhorst


woensdag 31 juli 2024

32. Schotse wortels in Toldijk: Aalt Anderson (ca. 1687-1750)

Rond 1725 vestigt Aalt Anderson zich op Bremerstede in Toldijk, samen met Arndje Jansen, dochter van de familie Bremer van de gelijknamige herberg, anno 2024 café-restaurant Den Bremer.
De wieg van Aalts vader stond in Schotland. Ook al is de naam Anderson inmiddels uit Toldijk verdwenen, zijn Schotse bloed stroomt er nog steeds.

Bremerstede moet ruim voor 1660 zijn gesticht. De oudst bekende eigenaar is Arend/Arnold Bremer. Hij is tevens eigenaar en naamgever van de herberg die men dan nog aanduidt met ‘Bremers Huis’. In 1676 verkopen zijn drie kinderen de boerderij aan één van zijn kleinkinderen: Elsken Kirspensis (ca. 1653-1742). Zij is een dochter van Geertruid Bremer en Johannus Kirspensis, koster in Steenderen. Elsken is getrouwd met Jan Arends, die later ook Bremer genoemd zal worden. 
In 1725 krijgt hun dochter Joanna Jansen (ca. 1690-1771) van haar ouders de helft van Bremerstede. Rond diezelfde tijd gaat dochter Arndje er wonen. Zij zal de andere helft hebben gekregen.

De boerderij wordt ook wel Bremerie, Bremersteeg, Ottenplaats, Ottenbosstede of Aaltsplaats genoemd. Die laatste naam zal naar Aalt Anderson verwijzen. 

1. Kaart uit 1807 met rechtsboven vier boerderijen: ‘Scholten’ heette eerder Bremerstede, ‘Bremersteeg’ was ooit Klein Bremerstede. Linksonder Herberg Den Bremer, ouderlijk huis van Arndje, de vrouw van Aalt Anderson













Jan Anderson, de Schotse vader van Aalt (1650/1665-1731)

Vader Jan Anderson is mogelijk in 1665 geboren in het plaatsje Duffus in het noorden van Schotland als zoon van William Anderson en Christen Symmson. De vernoeming van zijn kinderen wijst daar sterk op. Christina is in die tijd in ons land geen gebruikelijke voornaam.
Anderzijds verklaart Jan in 1703 dat hij zo’n 30 jaar als voetjager voor koning-stadhouder Willem III heeft gewerkt. Deze Willem was niet alleen stadhouder van onze gewesten Holland, Utrecht en Zeeland (per 1672), en Gelderland en Overijssel (per 1675), maar ook koning van Engeland, Schotland en Ierland (per 1689). Hij is eigenaar van jachtslot Hof te Dieren waarvan de landerijen zich uitstrekken tot in Ellecom. In 1684 koopt hij ook kasteel Het Loo in Apeldoorn. Dat laatste verklaart dan meteen waarom het gezin Anderson enkele jaren in die plaats woont.
Dit zou betekenen dat Jan zo rond 1672, het begin van Willems stadhouderschap, bij hem in dienst is getreden, en dus al rond 1650 geboren moet zijn.
Een voetjager is iemand die bij een drijfjacht zowel jaagt als het wild opdrijft.

Jan trouwt eind 1686 in Ellecom met Judith Aalts uit die plaats, Aalts moeder. Onverklaarbaar is zijn plotse rijkdom in 1695. We houden het maar op een Schotse erfenis. Vanuit Apeldoorn koopt Jan dat jaar in Ellecom drie (delen van) boerderijen inclusief land. In 1705 blijkt dat deze zijn volledige eigendom zijn. Op een kaart van Hof te Dieren uit 1723 staat zijn naam tweemaal languit over zijn landerijen uitgeschreven.
Zijn financiële terugval na 1702 zal samenhangen met het overlijden van Willem III. Vanaf dat moment ontvangt Jan zijn jaarlijkse uitkering van 200 gulden niet meer. In die tijd een aanzienlijk bedrag, want voor 600 gulden kocht je een huis met tuin. 

Zijn leven lang blijft hij geregeld ‘Jan Schotsman’ genoemd worden. Zo’n bijzonder accent raak je natuurlijk nooit kwijt.









2. Duffus, de geboorteplaats van Jan, ligt in het hoge noorden van Schotland



Aalt Anderson

Aalt is rond 1687 in Ellecom geboren, maar verhuist met zijn ouders rond 1692 naar Apeldoorn. Uiterlijk begin 1702 keert het gezin naar Ellecom terug. Daar woont het zeer waarschijnlijk op Sluiterskamp, een van hun boerderijen. Het was een aanzienlijke hoeve met maar liefst vier ‘haardsteden’: openhaarden met een schoorsteen.
Maar vanaf 1705 maakt Aalt ook de neergang van zijn vaders rijkdom mee. Zo worden er hypotheken afgesloten, en uiteindelijk land en een boerderij verkocht.
Er blijft echter voldoende over. Na de dood van Aalts vader in 1731 verkopen de erfgenamen een tweede boerderij en een groot weiland. Daarmee belandt er via Aalts erfdeel ook een stukje Ellecomse voorspoed in Toldijk.

Ook Aalts broer en vier zussen verlaten Ellecom. Al blijft zus Marije in de buurt. Zij en haar man Gosseling Smink worden herbergier in De Engel in De Steeg. Twee zussen vertrekken naar de Betuwe, en een zus en een broer gaan naar Amsterdam. Broer Willem runt daar een herberg aan de Foeliestraat, ‘waer de Swaen in de gevel staet’.

Opvallend voor die tijd is de reislust van Aalts ouders. Zo zijn ze in winters februari 1722 aanwezig bij de doop van een kleinzoon in Appeltern (Betuwe): maar liefst 55 km. in een postkoets of te paard. Beiden zijn dan al bijna 60.
En in september 1727 reist moeder Judith, 65 jaar oud, naar Amsterdam. Ze begraaft er zoon Willem.
Aalts ouders zullen dan ook Toldijk wel bezocht hebben.

Aalt Anderson (+1750) en Arndje Jansen Bremer (+1751)

Aalt en Arndje zijn in 1712 in Arnhem getrouwd. De eerste tijd wonen ze in Ellecom. Daar wordt hun oudste kind geboren. Begin 1714 verhuizen ze naar Dieren, waar hun andere kinderen het levenslicht zien. Onbekend is hoe hij daar in zijn levensonderhoud voorzag.

3. Trouwboek Arnhem, inschrijving huwelijk Aalt en Arndje in 1712

Rond 1725 komt het gezin vervolgens naar de Bremerstede in Toldijk.
Arndje blijft tot haar dood mede-eigenaar van herberg Den Bremer. Deze komt kort daarna volledig in handen van Johan Gordinou de Gouberville, een zoon van haar zuster Anna Sibilla.
Niet lang nadat Aalt en Arndje zijn overleden, kopen hun drie nog levende kinderen ook de andere helft van Bremerstede. Die blijkt nog steeds eigendom van Arndjes zuster Joanna.

Om in Toldijk de Schotse wortels te kunnen traceren, volgen we hun twee dochters, oftewel hun Toldijkse nazaten. Zoon Jan (1713-1765) vertrekt naar Dieren. Zijn nakomelingen bezitten nog tot 1791 percelen land behorend tot Bremerstede.
    -          Dochter Elsken trouwt in 1737 met Roelof Scholten uit Hummelo. Hun eerste twee kinderen
worden in Toldijk geboren. Drie jaar na hun huwelijk verhuizen ze naar een plek onder Warnsveld. Daar woont het gezin totdat het in 1772 naar de Bremerstede terugkeert.
    -         Dochter Janna huwt in 1750 met Teunis Teunissen uit Baak. Ze vestigen zich op de boerderij die later Kléin Bremerstede zal heten.

In ieder geval is er dus vanaf 1772 sprake van twee boerderijen Bremerstede: Zutphen-Emmerikseweg 34 en 36. We volgen van beide de opeenvolgende bewoners zolang het nazaten van de Andersons betreft.

Bremerstede, Zutphen-Emmerikseweg 34 (nu Het Barger)

Elsken Anderson (1717-1789) en Roelof Scholten (1717-1789)
Als zij in 1772 vanuit Warnsveld terugverhuizen naar de Bremerstede, is de boerderij inmiddels hun eigendom. Roelof is dan 60 jaar oud en Elsken 55. Het zal een enerverend jaar zijn, want in juni reizen ze ook nog naar Amsterdam om getuige te zijn van de doop van een kleinzoon.
Misschien zijn ze naar Toldijk teruggekomen om kwartier te maken voor een van hun zonen. En inderdaad, in 1780, acht jaar later, doen ze de boerderij over aan zoon Aalt. Als tegenprestatie belooft hij zijn ouders tot hun einde toe te onderhouden.
Van slechts vier van hun negen kinderen hebben we sporen kunnen terugvinden. Waarschijnlijk zijn enkelen jong gestorven. Naast zoon Aalt blijven ook zoon Willem en dochter Arentje in Toldijk. Barend Jan (ook Jan Berend genoemd) vertrekt naar Amsterdam.
Als zoon Willem in 1762 met Janna Teunissen Lamslag trouwt, is hij carabinier (ruiter) onder Oranje Nassau, majoor Van Pabst. Hij zal (tijdelijk) als beroepssoldaat bij het leger hebben gewerkt, want dienstplicht bestaat nog niet. In 1810 overlijdt hij op het Halve Verenbos. Deze boerderij lag naast het Verenbos, Beekstraat 3, Toldijk.
Dochter Arentje trouwt met Jan Jansen. Ze wonen in ieder geval in 1784 (nog) in Toldijk.
Zoon Aalt is dus de volgende eigenaar/boer. 

Aalt Scholten (1751-1832) en (1) Jenneken Bessem (1753-1791), (2) Ludgardina Heitink (1752-1811)
Aalt trouwt in 1781 met Jenneken. Zij sterft tien jaar later, op diezelfde dag als een dochtertje van drie weken oud. Ze worden samen in de kerk begraven.
Na vijf maanden hertrouwt Aalt. Voorafgaand aan dat tweede huwelijk wordt er zoals gebruikelijk een inventaris van de bezittingen opgemaakt opdat de kinderen uit zijn eerste huwelijk later hun erfdeel krijgen. Daaruit blijkt dat zij bij volwassenheid een aanzienlijk bedrag zullen ontvangen.
In zo’n boedelbeschrijving wordt werkelijk alles vermeld wat in zo’n sterfhuis aanwezig is. Zoals in dit geval ook een ‘kakstoel’ en ‘enige rommelderij op de zolders’. Bijzonder is dat er ook ‘enige boeken’ in huis zijn. Niet veel mensen kunnen dan al lezen, laat staan een heel boek. Aalts oudtante Marije Anderson had in 1734 overigens ook al boeken in huis, en een bijbel.








4. Fragment uit de inventaris: een banke, enige rommelderij op de zolders, twee stoven en een koffijmool, brandhoud en een spigeltjen, enige boeken

Drie van Aalts vijf kinderen worden volwassen. Dochter Elsken vertrekt naar Angerlo, dochter Johanna (uit het tweede huwelijk) blijft in Toldijk. Zij woont met schoenmaker Derk Jan Dijenborgh aan de Schiphorsterstraat 16.
Zoon Gerrit Jan blijft op de Bremerstede.

Gerrit Jan Scholten (1784-1850) en Harmina Jolink (1785-1859)
Gerrit Jan trouwt in 1814 met Harmina Jolink, eveneens uit Toldijk. Al snel is hij de hoofdbewoner van de Bremerstede, ook al is zijn inwonende vader Aalt nog maar begin 60. Het echtpaar krijgt twee kinderen. De dochter sterft al jong.
Zoon Aalt is daarmee de gedoodverfde opvolger.

Aalt Scholten (1815-1871) en Johanna Hendrika Koenders (1808-1888)
Aalt en Johanna trouwen in 1836. Ze krijgen in totaal negen kinderen van wie er vier volwassen worden. Dochter Garritjen vertrekt samen met dagloner Jan ten Hout uit Rheden naar een boerderij in Steenderen. Zoon Hendrik Jan wordt kantoorbediende en polderontvanger, trouwt met een Arnhemse vroedvrouw en vestigt zich eveneens in Steenderen. Harmina trouwt in 1862 met haar overbuurjongen Harmen Aalderink. Het paar zet de pachtboerderij van zijn vader voort: De Kleine Russer, Zutphen-Emmerikseweg 69.
Zoon Arend volgt vader Aalt op.

Arend Scholten (1843-1889)
Arend blijft ongehuwd. Hij is 28 als zijn vader sterft. Zelf overlijdt hij al op zijn 46e. Daarmee is in 1889 de laatste nazaat van Jan Anderson van de Bremerstede verdwenen.
De boerderij wordt verkocht. Ene Berend Willem Hanskamp komt er als pachter te wonen.

Klein Bremerstede, Zutphen-Emmerikseweg 36 (nu De Potdekkel)

Janna Anderson (ca. 1722->1789) en Teunis Teunissen (ca.1722-1788)
Meteen na hun huwelijk in 1750 vestigen zij zich op Klein Bremerstede. De boerderij wordt een daghuurdersplaatsje genoemd, en zal dus een klein boerderijtje zijn geweest.
Maar Teunis is wel rotmeester. Een rot is een groep ‘weerbare mannen’ die opgeroepen kunnen worden als een soort reserveleger. Van hogerhand moesten die groepen in 1784 samengesteld worden. Veelal waren de ‘meesters’ van zo’n groep niet de kleinste boeren.
Het paar krijgt dertien kinderen, van wie er slechts vier volwassen worden: Zoon Jan Arend vertrekt naar Steenderen. Dochter Elsken naar Huissen. Zoon Jan blijft in Toldijk, samen met zijn vrouw Elisabeth Groenendaal die uit Holten komt. Zoon Peter blijft op Klein Bremerstede.
In juni 1787 maken Janna en Teunis een testament op. Ze schrijven dat deze jongste zoon hen al vele jaren goed heeft geholpen. Bovendien zijn de overige kinderen ‘tot hun eigen voordeel’ elders woonachtig. Daarom vermaken ze hun ‘huis, hof en land’ aan hem.
Maar precies een jaar later herroept Janna deze wilsbeschikking. Dit mede namens haar man. Per direct dragen ze hun bezittingen aan Peter over. Dit met de mededeling dat deze schenking hiermee buiten de erfenis valt. Drie maanden hierna overlijdt Teunis. Hij voelde zijn einde vast al naderen en wilde dat alles nog voor zijn dood in kannen en kruiken zou zijn.
Zoon Peter is hier dus de volgende boer.

Peter Teunissen (1762-1810) en Janna Maneveld (1764-1832), later hertrouwd met Gerrit Jan Jansen Reiger (1773-1859)
Peter en Janna trouwen in 1790. Janna is geboren op Maneveld, Ruurloseweg 90, Hengelo (Gld) (Varssel). Samen krijgen ze negen kinderen van wie de jongste nog maar vijf jaar oud is als Peter sterft.
Het jaar daarop hertrouwt Janna met de negen jaar jongere Gerrit Jan Jansen Reiger uit Toldijk. Als hij bij Janna intrekt, brengt hij zijn moeder mee: Janna Zeiskamp.
Zes van Peter en Janna’s kinderen worden volwassen. Dochter Johanna vertrekt naar Rheden, Teuntje en Hendrik naar Leuvenheim, Arend naar Bronkhorst. Alleen Jan (ongehuwd) en Hendrika blijven in Toldijk.
In 1832, het jaar van haar overlijden, staat Janna’s tweede man bij het Kadaster als eigenaar van Klein Bremerstede geregistreerd. In de papieren zien we dat er bij de boerderij ook een bijenschuur staat.
Begin 1833 verlaat weduwnaar Gerrit Jan de boerderij om in te trekken bij zijn zuster op Santbergen, Hardsteestraat 10. Samen met haar keert hij in 1844 terug. Klein Bremerstede zal in de tussentijd verpacht zijn, want bij terugkomst zijn een nichtje en haar man de hoofdbewoners. Bij zijn overlijden in 1859 is Gerrit Jan inmiddels geen eigenaar meer. 

Dochter Hendrika Teunissen (1805-1885) is in 1829 van Kleine Bremerstede vertrokken. Zij was er de laatste nazaat van de Schotse Jan Anderson. Ze trouwt met Arend Klein Lenderink en trekt bij hem in op de Grote Hietcole, Hoogstraat 10. Nadat Arend in 1838 is overleden, hertrouwt ze met Harmen Garritsen (1802-1857) die zijn plaats inneemt.
De laatste 15 jaar van haar leven woont Hendrika als weduwe in bij haar zoon op boerderij de Kruisbrink, Kruisbrinkseweg 7, Toldijk. Tegenwoordig drijft haar nazaat Dick Garritsen daar een winkel in Achterhoekse streekproducten (dekruisbrink.nl). Achterhoeks met, zo weten we nu, een Schots accent. 

Met dank aan Bertus Rietberg

Eerdere versies van dit artikel verschenen in
-          De Zwerfsteen (HVS Steenderen) 2024-01
-          OTGB 2024-02

Meer lezen? Dat kan via de volgende links:
Over vader Jan Anderson, zie:
Jan Anderson (1665-1731), een Schot in Ellecom 
Over zus Marije Anderson:
De twee herbergen van Marije Anderson (Middachten en De Steeg)
Over café-restaurant Den Bremer:
Vier eeuwen herberg Den Bremer in Toldijk 
Over de boerderij waar Andersonnazaat Hendrika Teunissen na haar huwelijk intrekt:
Boerderij de Grote Hietcole in Toldijk 

Er is van mijn familietakje Anderson, dus alleen van de oudste vier generaties, ook een uitgebreidere beschrijving beschikbaar (circa 25 pagina's incl. broers en zussen). Interesse? Laat het me weten. Ik stuur je dat digitale document graag (kosteloos) per mail toe.

Genealogische noot
Mijn afstamming van de Andersons:
(?) William Anderson          x ca. 1660 Christen Symmson
Jan Anderson                     x 1686       Judith Aalts
Aalt Anderson                    x 1712       Arndje Jansen Bremer
Janna Aalts Anderson        x 1750       Teunis Teunissen
Peter Teunissen                 x 1790        Janna Maneveld/Boenink
Hendrika Teunissen           x 1839       Harmen Garritsen
Arend Gerhard Garritsen   x 1868        Tonia Johanna Hartman
Harmen Garritsen              x 1906        Aleida Berendina ten Broek
Marinus Garritsen              x 1939       Gerrie Busser
Alice Garritsen

Bronnen: Bevolkingsregister, Doop-, Trouw- en Begraafboeken, Ecal.nu, Gelders Archief, Goetgevonden.nl, Kadaster, Memories van Successie, Wiewaswie.nl, diverse gerechtelijke aktes

Bronnen van de Illustraties
1. Gelders Archief, Tg. 0873, inv.nr. 36
2. Mapcarta.com
3. Gelders Archief, Tg. 2179, Trouwboek, inv.nr. 136
4. Idem, Tg. 3021, inv.nr. 799