dinsdag 31 mei 2022

23. Boerderij Klein Neerheide in de Kruisberg vanaf 1650 (Doetinchem)

Klein Neerheide ligt in de Doetinchemse buurtschap de Kruisberg. Het is een van mijn voorouderboerderijen. Mijn overgrootouders woonden er, en ook mijn oma aan moederskant, Aaltje Wiltink, heeft er nog geboerd. Daarnaast zijn alle hieronder genoemde personen die de boerderij vóór hen pachtten, aan mij verwant, en … de huidige bewoners. Reden genoeg om in het soms ietwat bewogen verleden ervan te duiken. 

De boerderij

Het huidige adres van de boerderij is Hogenslagweg 7 en 9. Eerst valt de plek onder buurtschap Langerak, later onder de Kruisberg. Beiden maken deel uit van Ambt Doetinchem totdat deze gemeente in 1920 met de stad wordt samengevoegd tot de gemeente Doetinchem.
Bij de ‘pondschatting’ anno 1650 ten behoeve van de belastingheffing wordt het bijbehorende land omschreven als ‘slecht, venig en waterig’. Later is dit ontgonnen.
De huidige boerderij is rond 1780 gebouwd, en vanaf 2009 grondig gerenoveerd. Tot circa 1930 is er ook een uitgang aan de voorzijde naar een inmiddels niet meer bestaande weg. Volgens het Bevolkingsregister is er steeds sprake van minimaal een inwonende knecht en/of dienstmeid.
Ooit was er ook een boerderij met de naam Groot Neerheide. Deze heet nu Neerheide en valt onder Hummelo: Loenhorsterweg 11. De afstand tussen beide Neerheides is hemelsbreed zo’n 200 meter.

Klein Neerheide rond 1955 (foto: fam. Bennink)

De eigenaren 

We zien ‘het goed Neerheide’ voor het eerst genoemd worden in 1650. Eigenaar is dan ‘vrouw Renssen’. In 1697 wordt bij een erfenis onderscheid gemaakt tussen Groot en Klein Neerheide. Dat laatste, inclusief ‘zijn houtgewas en visserijen’, valt daarbij toe aan Johan Renssen. Die verkoopt het in 1700 aan Hadewig Renssen en haar man ds. Abraham van Santbergen, emeritus predikant te Doesburg. Klein Neerheide wordt daarbij omschreven als: een huis met tuin, twee akkers en twee weilanden.
        Een kleinzoon van dit echtpaar verkoopt de boerderij in 1768 aan Jacob Christiaan Maria Evert Albrecht van Heeckeren, heer van Barlham (1736-1780), getrouwd met Geertruid Elisabeth Crommelin (1744-1816). Van Heeckeren is tevens eigenaar en bewoner van Huis De Kruisberg. Dat stond op de plek waar veel later een gevangenis zou verrijzen. Het huidige Klein Neerheide zal door hem gebouwd zijn, want de boerderij stamt uit deze periode.
        Zijn weduwe verkoopt in 1790 zowel de Kruisberg als het goed Neerheide aan Adrianus Hendrik baron van Diest (1765-1858) en zijn vrouw Adriana Johanna Wilhelmina Bodmer (1765-1839). Ook zij wonen op Huis De Kruisberg. Zij zullen Klein Neerheide niet lang bezitten.
        Al snel blijkt de boerderij onderdeel van het Hummelose landgoed Runsvoort, eigendom van de Doesburgse vrijgezelle mejuffrouw Sophia Vles (1723-1799).
       Engbert Garretsen (1752-1826), koopman, bierbrouwer, landbouwer en burgemeester van Hummelo, en zijn vrouw Willemina Nijenhuis worden in 1799 de nieuwe eigenaren van het landgoed. Zij wonen in Hummelo bij hun bierbrouwerij De Zwarte Kolk, hoek Sliekstraat/Hessenweg. Egbert sterft er in 1826. Zijn dochter Engelina Derkjen Garretsen (1798-1875) en schoonzoon Jan Breukink (1790-1857) erven brouwerij, landgoed en boerderij. Na Jans dood bestiert Engelina als 'mej. de wed. J. Breukink' de zaken, in ieder geval tot 1873.
        Hun zoon Johan Gerhard Breukink (1827-1900) en zijn vrouw Bernarda Hendrika Tenkink bouwen in 1858 het huidige Runsvoort aan de Zelhemseweg 8, en vestigen zich daar. 
        Klein Neerheide gaat daarna over op Johans jongste dochter Gezina Aleida Breukink (1868-1938). Zij is ongehuwd. Na haar dood komt de boerderij in handen van een zoon van Gezina’s oudere zuster Egbarta: de econoom Egbert Willem Tenkink (1902-1988). Ook hij woont op Runsvoort in Hummelo.
        Vanaf 1969 gaan bezit en bewoner samenvallen: Klein Neerheide wordt gekocht door de toenmalige pachter, Frederik Hendrik (Frits) Bennink (geb. 1923). Zijn erven verkopen de boerderij in 1995 aan de familie Wassink, de huidige bewoners.

 
De bewoners
 
1781 – Rond deze tijd is de huidige boerderij gebouwd, en vanaf dit jaar hebben we de bewoners kunnen achterhalen. De pachter is dan Arend Stoltenborg (1757-1806). Hij trouwt met Jenneken Wiltink (1763-1814).
Arends (voor)ouders wonen al enkele generaties in het richterambt Doetinchem. Jennekens familie stamt oorspronkelijk van boerderij Wiltink, Pluimersdijk 16 in Halle bij Zelhem. Dat is overigens bij alle hieronder genoemde Wiltinks het geval.
 
1791 – Tussen 1783 en 1804 worden op Klein Neerheide hun acht kinderen geboren van wie de helft voortijdig sterft. In 1791 ziet de tweede zoon, Jan, het levenslicht. Hij zal uiteindelijk zijn vader Arend als pachter opvolgen. Maar dat gebeurt pas nadat Jans stiefvader in 1818 is overleden.
 
1806 – Zoon Jan is vijftien als vader Arend Stoltenborg op 48-jarige leeftijd overlijdt. Drie jaar later hertrouwt moeder Jenneken met de negen jaar jongere Reint Siebelink (1772-1818). Voorafgaand aan dat huwelijk heeft Jenneken ervoor gezorgd dat haar kinderen hierdoor hun erfenis niet mislopen. In de trouwakte staat vermeld dat de ‘kinderen van het vorig huwelijk zijn afgegoed'.

Merklap geborduurd door Aaltje Wiltink (1874-1964) met de initialen van alle toenmalige bewoners (foto: familiebezit) 

1813 – Zoon Jan Stoltenborg (1791-1868) trouwt met Theodora (Dora) Wiltink (1792-1866). Zijn moeder en haar vader zijn halfbroer en halfzus. Waarschijnlijk is Dora opgegroeid in de toenmalige Doetinchemse buurtschap, nu woonwijk, Oosseld.
Voordat dit huwelijk gesloten kan worden, is er nog even een probleem. De akte van overlijden van vader Arend Stoltenborg die daartoe overlegd moet worden, blijkt zoek. Daarom moet Jan eerst naar de ‘vrederechter’ in kanton Doetinchem. Nadat die rechter vier ‘geloofwaardige lieden’ als getuigen heeft gehoord die wisten van zowel overlijden als begrafenis, heeft hij een ‘akte van bekendheid’ opgemaakt. Gewapend met deze akte kan Jan alsnog in het huwelijksbootje stappen.
Hij blijkt kleermaker van beroep. Daarmee, maar ook omdat hij niet de oudste zoon is, zou het voor de hand liggen dat niet hij, maar zijn oudere broer Hermanus de pacht overneemt. Maar die broer is vertrokken. Hermanus woont bij zijn overlijden in 1828 op boerderij Het Holtslag. Deze is zijn eigendom en ligt in de Loenhorst onder buurtschap Langerak. Waarschijnlijk dus niet ver van zijn ouderlijk huis.

1814 en 1818 – In 1814 overlijdt moeder Jenneken Wiltink, 51 jaar oud. En in 1818 stiefvader Reint Siebelink, 45 jaar.
Vijf dagen voor zijn dood heeft Reint nog een testament opgemaakt. De notaris verklaart daarbij dat Reint, ‘hoezeer ziek naar het lichaam, zijnde echter zijn verstand en zinnen volkomen machtig, zoals uit de gesprekken en redeneringen met ons, notaris en getuigen, volkomen is gebleken.’ De notaris acht Reint dus in staat om verstandige beslissingen te nemen.
In het testament, dat op Klein Neerheide is getekend, benoemt Reint Siebelink zijn stiefzoon Jan Stoltenborg en zijn vrouw – ‘bij mij inwonende’ – tot zijn enige erfgenamen.
Vanaf dat moment hangt Jan naald en draad aan de wilgen. Hij wordt de volgende pachter van Klein Neerheide.
                                  
1833 –Jan en Dora’s enige zoon en jongste kind, Derk Jan Stoltenborg, wordt geboren. Acht meisjes gingen hem voor. Slechts vier van hen zijn volwassen geworden.

Bron: tweemaal de Graafschap-Bode

1854 – Een andere Derk Jan, neefje Derk Jan Wiltink (1835-1906), zoon van Dora’s broer, komt als knecht bij zijn oom en tante inwonen. Hij is 19 jaar oud, en geboren en getogen op boerderij Wonninkhagenkamp (later Kousman genaamd), Broekstraat 2, Zelhem.
Eigenlijk zou hij ditzelfde jaar onder de wapenen gaan, maar hij is afgekeurd omdat hij ‘onder de maat’ is. Hij heeft een bewogen jeugd achter de rug. Als hij 10 maanden oud is, sterft zijn moeder. Op zijn 3e krijgt hij een stiefmoeder, op zijn 13e sterft zijn vader, en als hij 15 is, hertrouwt zijn 38-jarige stiefmoeder met hun 22-jarige knecht.

1856 – Derk Jan Stoltenborg trouwt met Aaltje Langwerden (1831-1901). Zij is opgegroeid op boerderij Kraassenberg, Vordenseweg 274, Hengelo (Gld). Haar vader is naast landbouwer ook riet- en strodekker. 
De laatste twee jaar voor haar trouwen werkt Aaltje als inwonend dienstmeid bij Jan Breukink, de toenmalige eigenaar van Klein Neerheide: in het huis bij de van zijn schoonvader overgenomen bierbrouwerij De Zwarte Kolk in Hummelo. Misschien hebben Derk Jan en zij elkaar wel ontmoet toen hij er op een keer zijn pacht kwam betalen.

1863 – Al na 6,5 jaar huwelijk overlijdt Derk Jan, slechts 29 jaar oud. Hij laat drie kinderen na, geboren tussen 1857 en 1862. De jongste is nog maar net een jaar oud.
                                     
1864 – Kennelijk zag Aaltje er geen been in om kort na het overlijden van haar man troost te zoeken bij het neefje van haar schoonmoeder, de inmiddels al tien jaar inwonende knecht Derk Jan Wiltink (1835-1906). Elf maanden later hertrouwt de inmiddels hoogzwangere Aaltje Langwerden met hem.
Hun eerste kind wordt drie weken na de huwelijkssluiting geboren. Je kunt je afvragen waarom er niet eerder is getrouwd.
Jan Stoltenborg, haar eerste schoonvader, is getuige bij dit huwelijk. Knarsetandend of met instemming? Het nieuwe paar blijft in ieder geval samen met de Stoltenborgs op Klein Neerheide wonen.
Na hun eersteling volgen tot 1874 nog vijf kinderen, zodat Aaltje in totaal negen kinderen heeft gebaard. Van hen sterven er ‘slechts’ twee voor hun volwassenheid.
 
1866 en 1868 – Dora en Jan, de ouders van Aaltjes eerste man, overlijden op Klein Neerheide, respectievelijk 74 en 77 jaar oud. Neefje Derk Jan Wiltink wordt de volgende pachter.

1878 – In juli tekent Derk Jan het door de protestantse politicus Abraham Kuyper georganiseerde Volkspetitionnement. Middels deze petitie probeert Kuyper een door de liberalen ingediende onderwijswet tegen te houden die nadelig uitpakt voor het christelijk onderwijs. Derk Jan is een van de maar liefst 305.000 'kleine luyden' die hun handtekening zetten. In augustus worden deze handtekeningen door een delegatie van adellijke personen op paleis Het Loo aan koning Willem III aangeboden. Hij spreekt hen hartelijk toe, maar ondertekent de wet wel.
 
1891 – Derk Jan Wiltinks tweede zoon (de eerste is jong overleden) en naamgenoot trouwt met Grada Lamberdina Wesselink uit Zelhem. Deze Derk Jan junior (1865-1951) lijkt de beoogde opvolger, want Grada komt bij hem op Klein Neerheide inwonen. Maar helaas, een half jaar later sterft ze in het kraambed. Derk Jan hertrouwt in februari 1896 met de weduwe Aaltje Bosman (1861-1927). Hij trekt bij haar in op de boerderij die zij met haar eerste man bewoonde: de Zwaan, Terborgseweg 96, Doetinchem-Stad (inmiddels afgebroken). Maar zijn brood verdient hij vooral als tramwegarbeider bij de Gelderse Tramwegen. Het spoor liep voor het huis langs.
Nog even over zijn naam. Derk Jan junior zal niet vernoemd zijn naar zijn vader, maar naar de eerste man van zijn moeder: Derk Jan Stoltenborg. Het was gebruikelijk om een kind uit een volgend huwelijk te vernoemen naar de overleden echtgenoot. Mogelijk als een soort eerbetoon.

Derk Jan Wiltink junior (1865-1951) (foto: fam. Wissink)

De Zwaan, Terborgseweg 96, Doetinchem (schilderij: fam. Wissink)

1891 – In hetzelfde jaar dat haar broer Derk Jan trouwt met Grada Wesselink, trouwt zijn zuster Aleida Johanna (Jet) (1867-1947) met Grada’s broer Herman Wesselink. Het paar woont eerst op Siebelink, Velswijkerweg 7, Zelhem (Velswijk), en vanaf 1912 op De Nachtegaal, Eeltinkweg 9, Zelhem (Winkelshoek).
 
1892 – Zoon Jan Willem (1869-1893) is knecht op boerderij Quatre Bras, Bielemansdijk 8, Halle. Hij trouwt met Lammerdina Bieleman, de dochter van de boer. Na negen maanden huwelijk sterft hij al. Twee maanden na zijn overlijden wordt zijn enige kind geboren. 

1893 en 1899 – Vader Derk Jan Wiltink stelt zich tweemaal verkiesbaar als raadslid voor de Protestantse Kiesvereniging in de gemeente Ambt-Doetinchem. Beide keren wordt hij niet gekozen.
 
1895 – De jongste zoon Herman Wiltink (1872-1965) trouwt met Lammerdina Hendrika (Dientje) Ebbers. Nu Hermans oudere broer alsnog is vertrokken, zal dit echtpaar straks de pacht overnemen.

Herman Wiltink en Dientje Ebbers anno 1944 (foto: fam. Wiltink)

En dan wordt het 1901, een voor Klein Neerheide enerverend jaar: 

1901-03-19 - Tegen de verwachting in verlaat zoon Herman, de beoogde opvolger, de boerderij. Samen met zijn hoogzwangere vrouw en hun drie jaar oude zoon Derk Jan. Ruim vijf jaar na hun huwelijk: vijf moeilijke jaren waarin het jonge paar ook nog een pasgeboren kind verloor. Wat de druppel was die de emmer liet overlopen, is niet bekend.
Feit is dat Herman van huis uit Nederlands-Hervormd is, en Dientje lid van de in 1888 opgerichte Oud-Gereformeerde Kerk. En dat niet alleen: de oprichting ervan had plaats in Dientjes ouderlijk huis, boerderij Het Loo, 1,3 km. verderop. Deze boerderij gold als de bakermat van deze als ‘fien’ bestempelde geloofsrichting. ‘Fien’ is dialect voor fijnzinnig en wil zoiets zeggen als: strikt in de leer.
Een spreekwoord luidt: twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen. Maar hier is het niet Herman die moeite heeft met Dientjes geloof, maar haar schoonmoeder Aaltje Langwerden.
Van meet af aan heeft Aaltje zich om die reden tegen dit huwelijk gekeerd. Naar verluidt is zij degene die op Klein Neerheide ‘de broek aan heeft’. Zij heeft de touwtjes in handen.
Kennelijk lukt het niet elkaars geloof te respecteren of in ieder geval te tolereren. Mogelijk stonden ze daarnaast ook qua karakter verschillend in het leven. J.W. Hendriksen schrijft hierover: ‘Herman was een kordate man, wat kort door de bocht misschien, maar hij had er zijn vrouw niet voor over’.
Hoe dan ook, Herman en Dientje vertrekken. Eerst voor vijf jaar naar Ruurlo. Daarna wonen ze een jaar of acht in Warken bij Warnsveld om zich vervolgens rond 1914 definitief in Vorden te vestigen, onder de rook van Kasteel Wildenborch, Schoolhuisweg 2. Hun zoon Lammert neemt deze boerderij over, en vervolgens hun kleinzoon Bertus Wiltink. Deze zal er wonen tot zijn overlijden in augustus 2022.
 
1901-06-25 – Drie maanden na Hermans vertrek doet de 33-jarige Gerrit Sileon (1868-1910) uit Apeldoorn zijn intrede als inwonend knecht. Zijn arbeid zal die van de node gemiste Herman Wiltink hebben moeten vervangen.
 
1901-09-13 – Weer drie maanden later overlijdt moeder Aaltje Langwerden, 69 jaar oud. Ze sterft ‘na een langdurig doch geduldig lijden’. Mogelijk was ze dus al ziek toen het conflict met zoon en schoondochter speelde.
Na haar overlijden schijnt weduwnaar Derk Jan Wiltink samen met de toenmalige eigenaar van Klein Neerheide (Gezina Aleida Breukink) naar Ruurlo te zijn gegaan om zoon Herman te bewegen naar de boerderij terug te keren. Herman weigert echter. Volgens J.W. Hendriksen ‘lag het volstrekt niet in zijn aard om op een eenmaal genomen beslissing terug te komen’.
En daarmee komt er ruimte voor een nieuwe boer. Derk Jan is immers al 65 jaar oud. Alle kinderen zijn inmiddels uitgevlogen, behalve Hermans jongere zusje Aaltje. Zij is op dat moment 26 jaar. Anders dan vrij gebruikelijk heeft zij nooit het ouderlijk huis verlaten om een tijdje elders als inwonende dienstbode te werken.

Aaltje Wiltink (1874-1964) (foto's: familiebezit)

 


1901-10-11 – Nu duidelijk is dat Herman niet terugkomt, lijken er spijkers met koppen geslagen te worden. Nog geen maand na het overlijden van haar moeder, en nog geen vier maanden na de komst op Klein Neerheide van knecht Gerrit Sileon, trouwt dochter Aaltje (1874-1964) met hem. Net als ook haar moeder 37 jaar eerder met een bij de familie inwonende knecht trouwde.
Is er in zo’n korte tijd iets opgebloeid tussen die twee? Kennen ze elkaar al langer, en is zijn komst daarvan het gevolg? Of is er sprake van een puur praktische oplossing om de ongetrouwde Aaltje aan een toekomst te helpen?
Vader Derk Jan zal officieel nog de pachter zijn (hij overlijdt in 1906, 70 jaar oud), maar in de praktijk zal zijn schoonzoon vanaf dat moment al de honneurs hebben waargenomen. De eigenaar van Klein Neerheide lijkt met deze opvolging akkoord.
Opvallend hoe ook een pachtboerderij van ouders op kinderen over kan gaan.
 

1909-04-10 – Het huwelijk van Aaltje en Gerrit is inmiddels bijna acht jaar kinderloos gebleven. Ze krijgen (daarom?) een pleegkind in huis, de bijna zes jaar oude Toon Gerritsen. Hij is een van de kinderen van Gerrit Sileons zuster. Het gebeurde vaker dat een kinderloos echtpaar een kind werd gegund.
 
1910-03-23 – Het gezinsgeluk is van korte duur. Nog geen jaar later verongelukt Gerrit Sileon. Hij is slechts 41 jaar oud geworden.
Wat gebeurde er?
Zoals destijds vrij gebruikelijk bij pachters, zal Gerrit af en toe voor de eigenaar van Klein Neerheide gewerkt hebben. In ieder geval is hij op zeker moment bezig bomen te verslepen als hij struikelt en een wiel over zich heen krijgt. Voordat hij sterft, doet hij zijn vrouw de aanbeveling te hertrouwen met zijn vriend Busser. Dat lezen we in het boek ‘Van geslacht tot geslacht’ van J.W. Hendriksen.
Overlevering in de Busserfamilie bevestigt dat de ongehuwde Berend Busser vanuit vriendendienst met de weduwe is getrouwd. Beide mannen schijnen tijdens hun militaire dienstplicht met elkaar bevriend geraakt te zijn. Beiden zijn in 1868 geboren, dus dat lijkt aannemelijk.

Graafschap-Bode 26-03-1910

1911-03-11 – En inderdaad, twaalf maanden later hertrouwt de dan 36-jarige weduwe Aaltje Wiltink (1874-1964) met de 42 jaar oude ongetrouwde Berend Busser (1868-1937) uit Empe (bij Voorst).
Voor het zover is, zal Aaltje meerdere keren naar zijn boerderij zijn gereisd. En Berend naar Klein Neerheide. Is reizen in die tijd geen sinecure, in hun geval is er de stoomtram Zutphen-Emmerik (1902-1934). Naar halte Kruisberg is het slechts 800 meter lopen. In Zutphen kan Aaltje overstappen richting Apeldoorn en uitstappen bij station Empe, slechts een kilometer van Berends huis. Maar gezien de vele haltes onderweg zal de reis toch nog aardig wat tijd in beslag hebben genomen.
Aaltje zegt de pacht van Klein Neerheide op. Drie dagen voor het huwelijk worden zij en haar pleegzoon Toon Gerritsen zowel uitgeschreven uit het Bevolkingsregister van Ambt Doetinchem als ingeschreven in dat van de gemeente Brummen. Aaltje en pleegzoon vestigen zich op de Oosterenk, IJsselstraat 7, Empe, het adres van Berend Busser. Hoewel Aaltje en Berend zeker niet meer de jongsten zijn, krijgen ze toch binnen iets meer dan vijf jaar vijf kinderen: vier dochters en een zoon.

1936 - 25-jarig huwelijksfeest Berend en Aaltje (foto: familiebezit)

Tijdens haar laatste jaar op Klein Neerheide woont er naast Aaltje niet alleen haar pleegzoon, maar ook een inwonende dienstbode en een kostganger. Deze laatste, Hendrik Bennink (1884-1967), is volgens het Bevolkingsregister molenaar van beroep. Na Aaltjes vertrek blijft hij op Klein Neerheide wonen. Hij wordt de volgende pachter, maar niet voor lang. Sinds begin 1910 is Hendrik bezig om dichtbij de Kruisberg een ‘stoomkorenmolen met bakkerij’ van de grond te krijgen. Deze is inmiddels alweer afgebroken, maar stond op het huidige perceel Klootsemastraat 16.
Hendrik Bennink is geboren op het adres Eeltinkweg 5, buurtschap Winkelshoek onder Zelhem. Rond 1892 verhuisde het gezin naar de naastgelegen boerderij De Roumaat, Eeltinkweg 7. Al voor zijn 17e verliet hij zijn ouderlijk huis om als inwonend knecht te gaan werken. Zo werkt hij een tijdlang bij zijn broer Johan Frederik (1880-1949). Die heeft een molen aan de Varsseveldseweg 252, Doetinchem, nu Benninkmolen genaamd. Bij hem zal Hendrik het vak hebben geleerd.

Graafschap-Bode 19-03-1910
Graafschap-Bode 01-01-1913

Graafschap-Bode 10-06-1915


 


1911-03-24 – Nog diezelfde maand trouwt Hendrik met Grada Willemina Bilderbeek uit Steenderen. Het adres van Klein Neerheide luidt op dat moment: Wijk B nummer 153. Straatadressen kent men op het platteland nog niet. 

1913 – In een advertentie in de Graafschap-Bode vraagt Hendrik ‘een aankomende dienstbode die ook kan melken’. Ze dient zich te vervoegen bij ‘H. Bennink, molenaar en landbouwer’. Elders afficheert hij zich als molenaar en bakker. Kort voor de jaarwisseling wenst hij in de krant eenieder het beste voor het nieuwe jaar als ‘H. Bennink, maalderij en graanhandel, handel in brandstoffen’.
 
1914 – In mei wordt op Klein Neerheide een nieuwe knecht ingeschreven: Steven Bennink (1887-1962). Hij blijkt een broer van de molenaars Hendrik en Johan Frederik. Ook hij heeft eerder als knecht bij zijn oudere broer Johan Frederik aan de Varsseveldseweg ingewoond.
Steven trouwt in november met Grada Hendrika Keijzer (1889-1970). Zijn status van knecht wordt in het Bevolkingsregister gewijzigd in die van landbouwer, en zijn adres verandert in Wijk B nummer 153-A. Vanaf dat moment is Klein Neerheide dus gesplitst in twee aparte woningen, of beter: twee aparte boerderijen.
Rond de tijd dat Steven wordt ingeschreven, zien we in de Graafschap-Bode een bericht over de bouw van een ‘woon- en winkelhuis met schuur’ door ‘H. Bennink te De Kruisberg’.

Graafschap-Bode 02-12-1932

1915 – In januari lezen we in dezelfde krant: ‘Wegens afschaffing der boerderij te koop…’. Hendrik Bennink biedt onder die aanhef het volgende aan: ‘een dogcar, een bijna nieuwe ploeg, een span eggen, een lange kar en een snijmolen met omloop’. En in de Zutphense Courant vinden we: ‘Met de heer Bennink aan de Kruisberg werd een overeenkomst aangegaan voor de aanleg van een los- en laadspoor naar zijn korenmolen aldaar’. Het zal gaan om een aansluiting op het spoor van de stoomtram Zutphen-Emmerik. Dat liep door de Klootsemastraat.
 
1916 – En dan is het zover. De stoomkorenmolen met bakkerij is al een tijdje in gebruik, maar op 1 april 1916 opent Hendrik daarnaast zijn ‘winkel in kruidenierswaren’. Hij verkoopt er tevens ‘mais, gerst, haver, lijnmeel en andere voerartikelen’. In 1931 zal hij op hetzelfde adres een nieuwe bakkerij bouwen.
Inmiddels heeft Steven Bennink (1887-1962) met zijn gezin op Klein Neerheide het rijk alleen. Maar het zit hem niet altijd mee. In een krant uit maart lezen we: ‘Hedenmorgen had de knecht van Bennink uit de Kruisberg door de slechte weg het ongeluk dat zijn kar met melkbussen en paard radicaal ondersteboven viel. Met het overschot dat door toegeschoten hulp overbleef, kwam hij aan de fabriek.’
Verder gaat het boerenleven er zijn gangetje. Geregeld zien we in de krant advertenties verschijnen. Zo wordt er ‘een meisje of aankomende boerenmeid’ gevraagd, of ‘een flinke boerenknecht’. Of worden dieren, oogsten of anderszins aangeboden, zoals ‘ter dekking de donkerrode volbloedstier Frans’, bronskleurige kalkoenen, een os en leggende eenden. Op een keer is Stevens hond weggelopen: een Duitse herdershond met de naam Molli.

Graafschap-Bode

F.H. Bennink (bron: Boerderijen in Doetinchem)

1939 – Kort voor de Tweede Wereldoorlog stelt Steven zich verkiesbaar voor de Doetinchemse gemeenteraad. Hij is een van de negen kandidaten voor Gemeentebelang Lijst 4.
Ook in die tijd al gaat het er in de politiek niet altijd even fris aan toe. Zo bericht de partij: ‘Uit angst voor stemmenverlies ontketent de SDAP (voorloper van de PvdA, red.) in haar verkiezingskrantje ‘Doetinchem Vooruit’ een ware hetze tegen onze lijst. Insinuaties en verdachtmakingen zijn aan de orde van de dag.’
Volgens Gemeentebelang Lijst 4 streven haar kandidaten geen partij- of groepsbelang na, maar beogen zij uitsluitend het gemeentebelang. Ze staat vrij van iedere politiek.
 
1957 – Steven wordt als pachter opgevolgd door zijn zoon Frederik Hendrik (Frits) (geb. 1923). Steven zelf sterft in 1962, zijn vrouw Grada in 1970.


Eigenaren-bewoners  
 

1969-1970 – Vanaf dat moment gaan bezit en bewoning samenvallen. In 1969 koopt Frits Bennink Klein Neerheide en omringend land. Mogelijk om deze aankoop te bekostigen heeft hij het jaar ervoor een huis met tuin aan de Varsseveldseweg verkocht.
Helaas wordt de boerderij het jaar daarop onbewoonbaar verklaard. Vanaf dat moment doet deze slechts dienst als bedrijfsruimte. Aan de straatkant wordt een nieuw woonhuis gebouwd, waarvan de eerste steen wordt gelegd door Frits’ moeder. De boerderij telt dan twintig koeien en drie paarden: oma, moeder en dochter.
De grootste wens van Bennink is om de oude boerderij weer op te bouwen. Deze wens is uitgekomen, maar helaas pas na zijn dood.

Klein Neerheide in onbewoonbare staat (foto: fam. Wassink)

1995 – Sinds het overlijden van de laatste mevrouw Bennink hebben de gebouwen inmiddels enkele jaren leeggestaan. In 1995 wordt Klein Neerheide door de huidige bewoners, de fam. Wassink, van de erven gekocht: het rond 1970 gebouwde woonhuis met daarachter de onbewoonbaar verklaarde boerderij.
Dan volgen jaren van verbeten strijd om de woonbestemming daarvan terug te krijgen. In 2009 beslist de gemeente Doetinchem uiteindelijk positief op het verzoek. Dit vanwege de karakteristieke kwaliteiten van het gebouw en de lange geschiedenis. Vanaf dat moment wordt het pand onder architectuur gerestaureerd - met behoud van zoveel mogelijk karakteristieke elementen - en verbouwd tot twee woningen.
Vanaf 2011 trekt de familie Wassink (dan in totaal drie huishoudens) ook in de gerestaureerde boerderij. Heel toevallig blijkt deze familie verre verwanten van alle Wiltinks die in de loop der tijd Klein Neerheide hebben bewoond. Zowel deze Wiltinks als deze Wassinks stammen af van het voorouderpaar Jan en Jenneke Wiltink dat rond 1680 op boerderij Wiltink in Halle woonde.
Maar ook zijn deze Wassinks verwant aan Dientje Ebbers, de vrouw die in 1895 op Klein Neerheide introk met de verwachting er de toekomstige boerin te worden.

Anno 2022: vier achterkleinkinderen van Derk Jan Wiltink en Aaltje Langwerden voor het gerestaureerde Klein Neerheide. Van links naar rechts: Hansje Folmer-Wiltink, Aleid Busser, Alie Wissink-Walvoort, Alice Garritsen (foto: Albertine Wissink)


Meer over Berend Busser, de man van Aaltje Wiltink, lees je via de volgende link:
Over Berend Busser (1868-1937), de derde Busser op de Oosterenk in Empe
En over zijn afkomst:
De familie Busser: van Recke in Duitsland naar de Oosterenk in Empe

Eerdere versies van dit verhaal verschenen in
-          Kronyck onder de titel De geschiedenis van Klein Neerheide in de Doetinchemse Kruisberg, Doetinchem 2021-04
-          OTGB (Oostgelders Tijdschrift voor Genealogie en Boerderijonderzoek) onder de titel Klein Neerheide in de Kruisberg, 2022-02

Genealogische noot
Mijn afstamming van Klein Neerheide:
Derk Jan Wiltink    1864 x   Aaltje Langwerden
Aaltje Wiltink         1911 x   Berend Busser
Gerrie Busser       1939 x   Marinus Garritsen
Alice Garritsen

Geraadpleegde bronnen
Bevolkingsregister (circa 1830-1920)
Boekkooi, G. en Kisman, A.K., Boerderijen in de gemeente Doetinchem, Doetinchem 1988
Doop-, Trouw- en Begraafboeken
Hendriksen, J.W., Van geslacht tot geslacht, Zelhem 1999
Kadaster (1832-1971)
Maas, L.H. en Schaars, A.H.G. red., Boerderijen- en Veldnamen in Stad en Ambt Doetinchem,  Doetinchem 2012
Memories van Successie
Overlevering
Overmars, Arno, Van herberg de gouden Druif, Tijdschrift OTGB 2024-04
Protocol van opdrachten, kentenissen, etc., 1696-1805 (ORA Landdrostambt Zutphen, Tg 3021, inv. 669)
Verpondingskohier, 1649-1650 (Staten van het Kwartier van Zutphen, etc., Tg 0005, inv. 396)

Internetsites
Centrum voor Familiegeschiedenis: wiewaswie.nl en familieadvertenties
delpher.nl (database met o.a. oude Nederlandse kranten)
ecal.nu (Erfgoed Centrum Achterhoek en Liemers)
geldersarchief.nl
www.hummelo.nl/geschiedenis-hummelo/overige-gebouwen/523-bierbrouwerij-de-zwarte- kolk.html
http://kasteleningelderland.nl/Kastelen/kruisberg.html 
oudzelhem.eu
topotijdreis.nl
wiewaswie.nl

dinsdag 15 maart 2022

22. Hendrik te Winkel is er helemaal klaar mee (Hengelo, Gld) (1683)

Mijn voorvader Hendrik te Winkel is een van de getuigen in de kwestie Henricus Rumpius, de zaak die Hengelo (Gld) vanaf 1683 een aantal jaren uit de slaap houdt. Met eigen ogen heeft hij gezien hoe deze Hengelose predikant een vrouw lastig valt. Zijn getuigenis wordt hem echter niet in dank afgenomen.

Wat gebeurde er
Het is 17 september 1683. Samen met een aantal andere mannen heeft Hendrik die dag voor de dominee een voorraad turf uit het Gooise veen opgehaald. Zo zal Henricus Rumpius er in de winter warmpjes bij zitten. Het is een dag hard werken, maar ’s avonds worden de mannen op de pastorie aan de Ruurloseweg (die ter hoogte van de huisnummers 28-30 stond) daarvoor rijkelijk onthaald. Er is ruim eten voorhanden, en wijn, bier en brandewijn in overvloed. Ook hun vrouwen mogen aanschuiven. Tot laat in de nacht is het een vrolijke boel.
Het begint al licht te worden als Hendrik te Winkel zich er eindelijk toe kan zetten om naar huis te gaan. Voordat hij vertrekt, wil hij eerst de predikant nog bedanken voor de genoeglijke avond. Hij kan Rumpius echter niet vinden. Maar na een tijdje ziet hij hem: buiten in de struiken bij de waterput, samen met Anneken Klein Lenderink. De dominee heeft zijn armen om haar heen geslagen en kust haar. Hendrik hoort haar roepen: ‘U bent onze pastoor[i], onze leraar, u behoort zulke dingen niet te doen’. Maar dat is voor Rumpius geen reden om te stoppen. En Hendrik ziet daarna nog veel meer.
Later zal hij hierover door Justitie meerdere keren worden ondervraagd.

Waterput in het groen

De reacties op zijn getuigenis
Anneken ontkent alles: ‘Als ik schuldig zou zijn aan wat de boeren hebben verklaard, dan zal ik mijn leven lang geen kind ter wereld brengen.’ Pikant detail: later zal blijken dat Anneken op dat moment zwanger was, of … door de predikant zwanger is geraakt, want acht maanden na de feestelijke avond ziet haar eerste kind het levenslicht.
Ook Annekens familie roert zich. Haar man Arend zegt dat Hendrik te Winkel ‘een onbezonnen verklaring’ over zijn vrouw heeft afgelegd. Haar schoonmoeder Trijne die op boerderij Grote Holte woont (Holterkampsweg 1, buurtschap 't Gooi), begint wild om zich heen te roepen dat Hendrik een mensenmoordenaar en een eerdief is, en dat hij de duivel achterna zal gaan. Dat maakt Hendrik zo kwaad dat hij een advocaat in de arm neemt en wegens laster een rechtszaak tegen haar begint.
Ook Henricus Rumpius zelf zit niet stil. Hij bedient zich van de methode ‘de aanval is de beste verdediging’, en stookt Annekens moeder Hilleken Klein Lenderink en zusje Berentien op om een oude koe uit de sloot te halen. Het leek nooit van belang, maar nu opeens verklaren beide vrouwen dat Hendrik te Winkel vijf jaar eerder, in de herfst van 1678, stenen achterover heeft gedrukt. Destijds had hij een partij stenen van de eigenaar van zijn boerderij gekregen om daarmee een schoorsteenpijp op zijn huis te zetten. Na de klus waren er nog zo’n driehonderd over.
‘Die stenen heeft hij in zijn stal onder het stro verborgen’, zo verklaart Hilleken. ‘Daarna heeft hij ze verkocht, het honderd voor veertien stuiver, en ze ‘s nachts terwijl zijn knecht sliep, op de stortkar geladen, en weggebracht. Hendrik heeft ons destijds te verstaan gegeven er met niemand over te praten. Lang heb ik me daaraan gehouden, maar de huidige aanvallen op onze dominee gaan me zo aan het hart, dat ik nu toch met dit verhaal naar buiten kom.’
En niet in het minst natuurlijk: ook de eer van dochter Anneken is in het geding.

Hof van Gelre, Arnhem (Jan de Beijer (1703-1780))

Nog een rechtszaak
De stoom komt Hendrik te Winkel inmiddels uit de oren. Hij is er helemaal klaar mee. Na dat gescheld van Trijne op Grote Holte nu ook dit nog! Hij laat het er niet bij zitten en begint ook een rechtszaak tegen Hilleken en haar dochter Berentien.
‘Alsof ik stenen zou hebben ontvreemd’, roept Hendrik tijdens de zitting, ‘hoe durven ze zoiets te beweren over een eerlijk iemand als ik. Kunnen ze dat dan bewijzen?’
Als de vrouwen door de rechter worden ondervraagd, verklaren ze eerst dat ze beiden vasthouden aan hun eerdere getuigenis. Maar dan maakt Berentien een enigszins terugtrekkende beweging door eraan toe te voegen dat ze niet zeker weet of die stenen wel allemaal van de boerderij-eigenaar waren. ‘We zijn op verzoek van de pastoor goedwillig naar dat verhoor gekomen, en weten beiden eigenlijk niets ten nadele van Hendriks goede naam en faam te zeggen. We kennen hem niet anders dan als een eerlijk man.’
En zo kwam de aap uit de mouw.
De eigenaar van de boerderij zal later verklaren dat Hendrik de overgebleven stenen mocht houden. De uitkomst van beide rechtszaken kennen we niet.

Nabuurschap
Hendrik en Hilleken zijn buren. Hun boerderijen Klein Lenderink (nu Wevershuis geheten, Winkelsweg 3) en ‘t Winkel (Winkelsweg 1) liggen slechts zo’n 200 meter van elkaar. Zouden zij elkaar vanaf dat moment nog gegroet hebben? Elkaar geholpen hebben bij het oogsten of bij andere piekmomenten in een jaar, bij ziekte of overlijden, zoals het nabuurschap verlangt?
Voor Hendrik te Winkel is de zaak Rumpius nog niet voorbij. In 1687, vier jaar na het incident bij de pastorie, wordt hij nog een laatste keer door Justitie opgeroepen. Die keer moet hij helemaal naar Arnhem om er bij het Hof van Gelre zijn verklaring te herhalen. Het overspel van de predikant met Anneken wordt door dat Hof echter uiteindelijk niet in behandeling genomen. Dit wegens gebrek aan bewijs.

Hendriks achtergrond
Geboren in Ruurlo trouwt Hendrik, die dan nog Hendrik Teunissen genoemd wordt, in 1664 in Hengelo (Gld) met de weduwe Hendersken ter Stege. Ook zij is in Ruurlo geboren. Ze is blijven wonen op de boerderij die ze met haar overleden man Derk Wiemelink bestierde: Wiemelink, Hesselinkdijk 1 in de Hengelose buurtschap Noordink.
In die tijd kent men nog nauwelijks vaste familienamen. Vaak duidt men iemand aan met de naam van de boerderij waarop hij woont. Zo gaat Hendrik al snel nadat hij bij Hendersken ingetrokken is, door het leven als Hendrik Wiemelink. In 1676 zegt Hendrik de pacht van die boerderij op en verhuist met zijn gezin naar ‘t Winkel, Winkelsweg 1 in de buurtschap Dunsborg.
Daardoor heet hij niet lang daarna … Hendrik te Winkel.

De complete kwestie Rumpius staat beschreven in mijn boek Een beerput die geen dootpot werd 

Dit verhaal verscheen eerder in

-          De Olde Kaste, tijdschrift van de Oudheidkundige Vereniging Hengelo (Gld) 2021-04
-          OTGB (Oostgelders Tijdschrift voor Genealogie en Boerderijonderzoek) 2022-01

Mijn afstamming van Hendrik te Winkel
Hendrik Teunissen te Winkel / Wiemelink  1664 x Hendersken Jansen ter Stege
Jantjen Hendriksen te Winkel                    1688 x Stoffel Roelofsen Hellinger
Roelof Stoffel Bannink / Hellinger              1710 x Hendersken Bannink
Janna Bannink                                           1742 x Carel Bannink / Bettink
Mechtelt Bannink                                       1775 x Derk Langwerden
Hendrik Jan Langwerden                           1811 x Leida Evers
Aaltje Langwerden                                     1864 x Derk Jan Wiltink
Aaltje Wiltink                                              1911 x Berend Busser
Gerrie Busser                                             1939 x Marinus Garritsen
Alice Garritsen

[i] De benamingen ‘dominee’ en ‘pastoor’ worden in die tijd beide gebruikt. Het is immers nog niet lang na de Hervorming. Dominee (toen dominus) was de officiële benaming binnen de protestantse kerk. ‘Het volk’ hield uit gewoonte nog lang vast aan het eigenlijk rooms-katholieke ‘pastoor’.

Bron van beide illustraties
1.       Waterput in het groen (Laakdal, België, bron: www.mot.be./resource/WaterWell/watereinde-5-laakdal-belgium?lang=nl)
2.       Hof van Gelre, Arnhem (Jan de Beijer (1703-1780)), bron: www.museumarnhem.nl/collectie/1808/prinsenhof-te-arnhem/)

donderdag 17 februari 2022

21. Boerderij Harenberg en de galg op de Bronsbergen (Warnsveld)

Even ten zuiden van Zutphen liggen de Bronsbergen, een aantal rivierduinen niet ver van de IJssel. Vroeger ook wel Bru(y)nsbergen of Baronsbergen genoemd. Op oude kaarten is het gebied te herkennen aan getekende duintjes. Het hoogste duin is de Harenberg. Dat was ook de naam van de boerderij annex herberg aldaar, en zou de familienaam van de bewoners worden: van mijn voorouders. Daar in de buurt stond een galg van de stad Zutphen.

De duinen
Het rivierduinencomplex zelf wordt al in 794 genoemd. De oudste naamsvermelding dateert uit 1316.[1] In dat jaar kreeg de horige Greta de Hezewolde toestemming om een akker op ‘Brunesberghe’ te verkopen aan een begijn van het Spittaal. Dat Zutphense klooster werd zo genoemd vanwege het naastgelegen hospitaal, gesticht rond 1250. Het had vele bezittingen in de wijde omgeving. Percelen kregen dan ook namen als Bagijnenland, Bagijnenbult en Bagijnenmaatje. Het Bagijnenland vinden we tegenwoordig nog terug als straatnaam in de Zuidwijken van Zutphen. Zo ook de Harenbergweg daar in de buurt. Inmiddels is het gebied door zandwinning sterk aangetast. Circa de helft van de duinen is in de loop der tijd afgegraven. Tot 1989 vielen de Bronsbergen onder Wichmond, destijds gemeente Warnsveld. Daarna onder Zutphen.
            De Harenberg heeft een hoogte van 14,80 m. +NAP. ‘Haar’ betekent zandige hoogte. De galg stond op een duin aan de overkant van de weg die Zutphen met het achterland verbond. Vanwege hoogte en ligging was dit een strategische plek. Zo hoopte de stad bezoekers met criminele plannen af te schrikken. Ook toen al deed men aan misdaadpreventie.


Foto 1. Inundatiekaart anno 1702 van Augustus Behmhever. Bovenaan
staat de galg afgebeeld tussen de duinen.

















De boerderij annex herberg
Het Harenberg – vernoemd naar het hoogste duin – was een boerderij met aanzien. Uit het Verpondingskohier 1643-1651 blijkt dat het ‘Haerenberch’ (met als eigenaar ‘‘t Hospitael’) een van de grootste van Wichmond was. In het Markenboek van Wichmond en Bronsbergen wordt dat bevestigd.[2] Het oorspronkelijke Harenberg stond op het huidige adres Bronsbergen 28-A, Zutphen.
Van zo’n belangrijke hoeve werd de naam door gewezen bewoners nog wel eens meegenomen naar een volgende boerderij. Dat gebeurt ook hier, zoals we nog zullen zien.
           De oudst gevonden vermelding van de boerderijnaam stamt uit 1382. In 1409 en 1509 komt deze voor op perkamenten charters in het archief van klooster Het Spittaal in Zutphen. In 1622 verkopen Tonijs Willemsen en Fenne Jacobs (hun deel van?) de ‘Harenberger Hofstede (Kerspel Wichmond in Brunsbergen an die Capelle)’ aan Berend Jans en Jenneken Jansen.[3] Drie jaar later verkopen die (hun deel van?) de boerderij aan ene Berentie, weduwe van Jan Harenberg. Hier zien we dat de boerderijnaam ook als familienaam gebruikt wordt. Dat was overigens ook in 1594 al het geval.[4]
            Nogal wat boerderijen langs doorgaande wegen hadden destijds een herbergfunctie. Zo ook deze. Het kostte vroeger veel tijd om van A naar B te komen. Zonder tussentijdse overnachting kwam je niet ver. En ook de paarden waren onderweg aan verversing toe.

Nieuwe bewoners
Op enig moment komen er nieuwe bewoners op het Harenberg: mijn voorouders Hendrik Wessels en Fenneken Jansen. Beiden lijken niet verwant aan oudere families met de naam Harenberg. Het paar trouwde in 1635 in Steenderen. Hendrik is opgegroeid op Het Spittaal in Baak. Ook hier dus een lijntje met het gelijknamige Zutphense klooster. Bij de pondschatting anno 1629 is zijn vader Wessel pachter van het ‘Spittaler goed met huis en hof’ (Broekstraat 2, Baak). Fenneken komt van Klein Boerle, Riethuisweg 3, Vorden. Die boerderij wordt gepacht van de familie Van Lennep.[5]
            Ook Hendrik en Fenneken lijken pachters, want nergens is een aanwijzing voor het bezit ervan gevonden. Het gaat ze hoe dan ook niet slecht, want al in 1650 permitteert het paar zich de aankoop van een perceel grond bij boerderij Groot Wantink in Baak. En in 1651 kopen ze daar ook de ‘Gerrit Claessenstede of Grote Slach’. Later volgen delen van Groot Wantink zelf. Totdat deze in 1670 in het geheel in hun bezit is.

                                             Foto 2. De galg bij Bruijnsbergen (Bernard Kempinck 1619)

De galg
Het is niet bekend wanneer de galg is opgericht. De oudst gevonden afbeelding is die op een kaart van Bernard Kempinck uit 1619. Van na de overstroming in 1702 dateert een inundatiekaart waarop ook de galg getekend is. Op een kaart van Hottinger uit 1779 staat de plek aangeduid als ‘geregtplaats’. En op de Rijkswaterstaatkaart van 1884 is in dat perceel een kleine bult getekend die tot 11 m. +NAP reikt, ruim anderhalve meter hoger dan het veld eromheen. Volgens het boek Boerderij- en Veldnamen in Warnsveld [6] ligt daar een perceel met de naam Galgenbult. In de Tafel Warnsveld [7] is tussen 1714 en 1801 bij Wichmond zes keer sprake van een transactie rond bouwland met de naam Galgenland, waaronder eenmaal met de toevoeging ‘naast de weide van het Harenberg’.
           Ophangingen waren destijds volksvermaak. Het voltrekken van een vonnis werd meestal van te voren door een omroeper wijd en zijd bekendgemaakt. Dit met als doel de mensen te waarschuwen voor deze consequentie van bepaalde misdrijven. Zo was een aanstaande ophanging al gauw in de verre omtrek bekend. Wie weet liep op sommige momenten half Zutphen wel uit om zich aan het leedvermaak te vergenoegen. Gezellig een dagje uit. Menig staaltje galgenhumor zal in de herberg over de toog zijn gegaan.
           In veel steden werden executies in de stad voltrokken. Pas daarna werd het (ontbindende) lijk als afschrikwekkend voorbeeld aan een galg in het buitengebied opgehangen. Op de Harenberg zijn echter wel degelijk doodvonnissen voltrokken. Dat valt bijvoorbeeld op te maken uit een besluit van de landdrost van het Graafschap Zutphen uit december 1626 (hertaald):“Omdat vanwege het seizoen de gevangenen niet op de Bronsbergen geëxecuteerd kunnen worden, wordt daartoe de plaats op de Mars ter beschikking gesteld.”[8] Met ‘het seizoen’ zal het natte jaargetijde bedoeld zijn. Toen Zutphen nog ommuurd was, kon je de stad slechts door de vier stadspoorten in of uit. Bij hoogwater werd de poort richting Bronsbergen, de Spittaalpoort, geregeld gesloten.

De familie Harenberg
Ondertussen groeien de beide zonen van Hendrik en Fenneken – Wessel en Peter – op in de buurt van een galg. Ze moeten haast wel de penetrante geuren van de ontbindende lijken hebben opgesnoven en de hongerige kraaien hun rondjes zien vliegen. De twee jongens zijn echter niet voor galg en rad opgegroeid. Ons zijn althans geen wandaden bekend. Beiden zijn netjes getrouwd en hebben voor twee familietakken vol nazaten gezorgd. Al had zoon Peter, mijn voorvader, in zijn latere jaren her en der wel wat betalingsachterstanden.
          Als deze Peter Harenberg in 1677 met Hermken Vroessink/Frucink trouwt, zien we opeens het eerder gekochte Groot Wantink in Baak weer terug (Schooldijk 6). Het jonge paar gaat er wonen. En na een tijdje zien we langzamerhand de naam Groot Wantink veranderen in … Harenberg. Zoals gezegd een teken van aanzien van de vernoemde boerderij in de Bronsbergen.
          En zo zijn er vanaf dat moment twee boerderijen met dezelfde naam op slechts zo’n zes kilometer van elkaar. Het Baakse Harenberg ligt zo’n anderhalve kilometer van het Baakse Spittaal, de boerderij waar Peters grootvader woonde en waar zijn vader Hendrik is opgegroeid. Dat Spittaal wordt in die periode gepacht door Peters neef Peter Teunissen Spittaal. Deze neef Peter schijnt zich bezig te houden met het uitdrijven van duivels. Om die reden mag hij als straf tussen 1690 en 1698 niet aan het Heilig Avondmaal deelnemen.
          En dan gebeurt er iets opvallends. In 1680, slechts drie jaar nadat Peter en Hermken er hun intrek namen, wordt Harenberg/Groot Wantink verkocht. Uit de papieren blijkt dat de boerderij op dat moment gezamenlijk eigendom was van Peters ouders, Peter en broer Wessel, en hun beider echtgenotes.[9] Peter blijft er echter wel wonen, maar nu als pachter. Maar liefst tot 1914 wordt de boerderij door nazaten van Peter en Hermken bewoond. Dit voorouderpaar heeft ook Bennie Jolink van de Achterhoekse popgroep Normaal voortgebracht.

Terug naar de Bronsbergen
Wessel Harenberg, de oudste zoon van Hendrik en Fenneken, blijft op het Harenberg. Hij trouwt in 1670 met ene Fenneken Everts Rijtman uit Marckel (waarschijnlijk Markelo), en, na haar overlijden, in 1677 met Hermken Sweers Rouhof uit Neede. Wessel wordt opgevolgd door zoon Hendrik, zijn derde zoon en een kind uit zijn tweede huwelijk. Die Hendrik trouwt in 1710 met Janna Berends Memelink uit Hengelo (Gld). Hij moet voor 1734 overleden zijn, want in dat jaar hertrouwt Janna met Jacob Roerdink uit Vorden (1694-1751). En zoals vaak gebeurde, wordt Jacob daarna aangeduid met de naam van de boerderij waarop hij vanaf dat moment woont: Jacob Harenberg. Zowel Janna als Jacob sterven in de herfst van 1751, slechts een maand na elkaar.

Foto 3. Bronsbergen met ‘geregtplaats’ (uitsnede uit de Hottingeratlas 
anno 1779).

Sweer Harenberg, een zijpad
De volgende kastelein in het Harenberg is niet Hendriks oudste zoon Sweer (1719-?). Nee, die wordt pachter op Hof Tammink onder Baak, ook een aanzienlijke boerderij. Maar daar gaat kennelijk iets mis, want al na een paar jaar vertrekt hij. Vanaf 1763 pacht hij vervolgens Steenweert in Bronkhorst. Nog steeds een aardige boerderij, maar toch een stapje terug. Ook hier wordt Sweer na de afgesproken periode de pacht opgezegd. Niet voor niets, want die pacht heeft hij dan al een paar jaar niet betaald. Maar ook heeft hij er naar verluidt een woeste bende van gemaakt. Sweer weigert echter te vertrekken. Dat gaat zo ver dat de eigenaren het nodig achten de rechter te vragen of bij de huisuitzetting zo nodig ‘de sterke hand’ aanwezig kan zijn. Nadat hij in 1770 in Bronkhorst op straat is gezet, vertrekt Sweer naar Zutphen. Daar woont hij in ieder geval in 1777 nog. Al zagen we hem tussendoor in 1771 nog wel ruzie maken in Baak. Sweer had zeven kinderen. Ondanks alles heeft zijn stamboom zich uiteindelijk tot in Australië vertakt.

Wessel Harenberg, de vierde en laatste herbergier van deze familie
Dus Hendriks opvolger op het Harenberg is niet deze oudste zoon Sweer, maar de jongste zoon Wessel (1729-na 1802). Toen zijn vader stierf, was Wessel op zijn hoogst vier jaar oud. Hij is dus opgevoed door zijn moeder Janna Memelink en zijn stiefvader Jacob Roerdink/Harenberg.
            Na het overlijden van zijn moeder en stiefvader in 1751 wordt hij, nog maar 22 jaar oud, verantwoordelijk voor herberg én boerderij. Hij trouwt in 1755 met Stevendina Franken (1727-1808) uit Gorssel. Haar ouders baten daar herberg De Roskam uit. Ze krijgen vijf kinderen, onder wie drie zoons. Geen van hen staat echter te springen om het Harenberg voort te zetten. De zonen Hendrik (1756-1839) en Willem (1760-?) worden beiden molenaar te Zutphen. Hun molens staan naast elkaar aan de huidige Molengracht, destijds Molenstraat of (zelfs) Harenbergshoek geheten, langs de oever van de Berkel. Hendrik heeft een water-, olie en pelmolen, en Willem een grutmolen. Zoon Jan (1759-1827) heeft een winkel aan de Turfstraat, naast De Rokende Moor (Turfstraat 13).

Foto 4. Overwelving 1879 - vm. stads- run- en pelmolens gezien vanuit de Rozengracht

Onbekend is wanneer Wessel en Stevendina de herberg hebben verlaten. In 1790 en 1801 wonen ze in ieder geval (al) in Zutphen. Stevendina sterft er in 1808, 80 jaar oud. Haar laatste adres is Gasthuisstraat 137.
            Dat de familie Harenberg weliswaar het Harenberg niet bezat, maar wel land in de buurt, blijkt in 1797 en 1802 als zij enkele percelen aan Albert Wunderink en Anna Gardina Brinkman verkopen. Dat laatste echtpaar zwaait dan inmiddels de scepter in de herberg. 

De families Meijerink en Brinkman
In 1789 blijkt het Harenberg inmiddels eigendom van Zutphen, want in dat jaar en in 1790 verkoopt de stad in twee delen de boerderij-herberg aan Steven Meijerink (1738-1814), kastelein in de Vreedenberg (circa Emmerikseweg 39), en zijn vrouw Aleijda Mekkink (1739-1793). Onderdeel van de koop is de verplichting om de ladder in bewaring te houden die gebruikt wordt bij het transport van de veroordeelden.[10]
               Als Steven in 1796 hertrouwt, vindt er een ‘erfmagescheid’[11] plaats tussen hem en zijn zoon Arend Meijerink (1769-1829), waarbij Arend een gedeelte van het Harenberg krijgt toebedeeld. Hoewel Arend bij zijn overlijden in Zutphen als oud-brouwer te boek staat, lijkt hij in deze herberg niet veel zin te hebben. Al snel verkoopt hij zijn deel aan H. ter Horst en H. Meijerink Gzn. en hun beider vrouwen. En nog diezelfde dag verkopen die dat deel door aan Gerrit Hendrik Brinkman en Albert Wunderink (1772-1847). Deze Albert trouwt in datzelfde jaar 1796 met Anna Gardina Brinkman (1772-1840). En vanaf dan staat dit echtpaar achter de toog.

Uit Scholtambt Zutphen 1796: 20e, 40e en 80e penning (vergelijk de tegenwoordige OZB, red.):
Den 31 december 1796 ontvangen van Garrit Hendrik Brinkman voor de eene helft, en Albert Wunderink en zijne huisvrouw Gardina Brinkman voor de andere halfscheid, beide onder dezen schoutampt woonende, 150 guldens - 15 stuijvers, in voldoeninge van den 40e penning van het erve en goed het Haerenberg genaamd, bestaande in huijs, hof, bouw- en weijdelanden, mitsgaders een hoekjen grond, op den Speldertuijn en den opstal van de schuur op de Bronsbergen, met de Rijsweerd van de weduwe Christiaens aangekocht, onder Wichmond gelegen. Aangekocht van Harmen Ter Horst en Hendrik Meijerink G.Z., beide te Zutphen woonende, voor 6030 guldens, op den 12 december 1796 [12]

Foto 6. Harenberg anno 1801

Het einde van de galg
Medio januari 1795 vlucht onze stadhouder Willem V naar Engeland, een actie die het begin van de Bataafse Republiek markeert. Het bestuurscollege dat daarop tijdelijk het gezag uitoefent - de Provisionele Representanten van het Volk van Holland - doet op 6 maart van datzelfde jaar een verklaring uitgaan met onder meer de volgende inhoud:
“Jarenlange ondervinding leert dat de galgen, raderen en geselpalen die op vele plaatsen langs de openbare wegen staan opgesteld, slechts een treurig schouwspel geven van de barbaarsheid van vroeger tijden. Aandoenlijke harten worden er gevoelig door getroffen, terwijl boosdoeners er niet door van het kwaad worden afgeschrikt. Daarom hebben wij besloten dat alle overblijfselen van deze oude barbaarsheid overal in deze provincie zo snel mogelijk, maar uiterlijk zes weken na afkondiging van dit besluit, moeten worden verwijderd…”
            De galg bij het Harenberg is dus uiterlijk begin 1795 voor de laatste keer gebruikt. Al in 1684 merkte de Zutphense advocaat Jacob Hasebroek op: “Men zegt weleens dat de galg voor ongelukkigen gemaakt is, niet voor schelmstukken.[13] Voor de stakkers dus, niet voor de rakkers. In een reisbeschrijving refereert H.N. van Til in 1832 aan de inmiddels verdwenen galg:
“Men gaat langs een niet onaangename weg tot aan de zogenaamde Brons- of Baronsbergen, zijnde een verzameling van heuvels in de nabijheid van de herberg het Harenberg. Op een van deze heuvels stonden in voormalige tijden de werktuigen voor de lijfstraffelijke rechtspleging, want de rechtbank van de stad liet hier de misdadigers de hen opgelegde straf ondergaan.”[14]

     Foto 7. Uitspanning ’t Harenberg anno 1902

De familie Wunderink
Vanaf 1796 zijn Albert Wunderink en Anna Gardina Brinkman dus de eigenaren van een deel van het Harenberg. Uit de oudste kadasterkaarten (1832) blijkt dat zij op dat moment inmiddels geheel Harenberg bezitten. De eigendom bestaat uit huis en erf met twee bijgebouwen, verderop nog een tweede huis, en een kleine negen hectare land dat zich uitstrekt langs de IJssel. Aan beide zijden van het Harenberg liggen in totaal acht percelen bouwland, weideland, heide, wilgenbos en dennenbos. De afstand tussen huis annex herberg en rivier bedraagt zo’n 40 meter. Evenwijdig aan het lange toegangspad zien we een spits toelopend dennenbos. In het midden daarvan staat een koepel, groot 42 m2. Waarschijnlijk de theekoepel. Albert staat in het Kadaster omschreven als ‘Albertus Wunderink, kastelijn te Warnsveld’. Daarmee weten we zeker dat hij ook de uitbater is.|
            Albert is een broer van Jan Wunderink (1770-1835), de eigenaar/kastelein van herberg De Kap(pe), Rijksstraatweg 166, Warnsveld: anno 2022 een Chinees restaurant. Jan wordt daar opgevolgd door zijn zoon Derk. Jan bezit ook herberg De Laatste Stuiver in Eefde aan de Rustoordlaan, dichtbij de Wunderinklaan. Daar zal zijn zoon Gerret later het stokje van hem overnemen.
            De volgende uitbater van het Harenberg is Alberts zoon Derk Wunderink (1804-1871), samen met zijn vrouw Hendrika Pennekamp uit Toldijk (1811-1852). In hun trouwjaar (1837) ontvangt hij een schenking van zijn ouders. Na Hendrika’s dood hertrouwt Derk in 1854 met de Brummense Judik Zwarthof (1812-1874). In Derks tijd was de herberg enkele jaren een verzamelpunt voor jagers. Dat waren vooral renteniers van de buitenverblijven, maar ook enkele notabelen, boeren en militairen. Zij waren lid van jachtvereniging Oefening en Vermaak, opgericht in 1835. Derk Wunderink beurde van hen per geschonken fles een bepaald bedrag aan ‘kurkengeld’. Soms kreeg hij een gratificatie van tien gulden.
            Derks broer Gerrit Jan (1800-1873) is in 1823 ingetrouwd bij Herberg Den Bremer in Toldijk. Een zoon van deze Gerrit Jan zal later herberg De Dollenhoed onder Barchem onder zijn hoede nemen (anno 2022 Hotel BonAparte).
Samen met de eerdergenoemde herbergen De Kap(pe) in Warnsveld en De Laatste Stuiver in Eefde baten de Wunderinks in de 19e eeuw dus in totaal vijf Achterhoekse herbergen uit. Waarvan Den Bremer in Toldijk zelfs tot op de dag van vandaag.
In de volgende generatie wordt het Harenberg bestierd door Derks zoon Arnoldus Gerard (1841-1905). Hij trouwt met Berendina Oonk (1864-1924) uit het Overijsselse Wijhe. Bij haar overlijden staat als beroep ‘caféhoudster’ genoteerd.

                                             Foto 8. De ijskelder van het Harenberg bij Bronsbergen 28-A


Het einde van Het Harenberg
Als laatste in de rij nemen hun ongetrouwde zoons Derk (1888-1962) en Antonie Gerard (1892-1976) het stokje over. De verantwoordelijkheden lijken dan gesplitst te zijn: Derk staat te boek als landbouwer en Antonie Gerard als kastelein.
             Ooit was er bij het Harenberg een aanlegplaats voor schepen en een tolboom op de weg richting Doetinchem. Ook was er een speeltuin met een doolhof, en waren er zandstrandjes langs de IJssel. Vanuit de theekoepel op de heuvel had men een schitterend uitzicht. Vanaf 1902 stopte de stoomtram van Zutphen naar Emmerik er voor de deur. Geen wonder dat het voor gezinnen uit de stad een geliefde plek was om te verpozen.
             In 1945 is de boerderij annex herberg tijdens de bevrijdingsacties verwoest. Het pand is daarna wel herbouwd, maar geen uitspanning meer geworden. Net als de familie Harenberg heeft ook de familie Wunderink er vier generaties lang de scepter gezwaaid. Van de herberg rest nog slechts de ijskelder.

Foto 9. 'Oud Harenberg, Warnsveld', aquarel van Herman Dijkjans (1889-1966)
(Met dank aan Ap van Straaten, www.apvanstraaten.nl)

Eerdere versies van dit verhaal verschenen in:
- OTGB (Oostgelders Tijdschrift voor Genealogie en Boerderijonderzoek) 2020 nr. 3
- Tijdschrift Zutphen 2022 nr. 1

Meer over de familie Wunderink op Den Bremer in Toldijk kun je lezen in het volgende verhaal
Vier eeuwen herberg Den Bremer in Toldijk

En over Sweer Harenberg op boerderij Steenweert in Bronkhorst in

Mijn afstamming van de Harenberg
Wessel op Spittaal
Hendrik Wessels Harenberg        1635 x   Fenneken Jansen
Peter Hendriks Harenberg           1677 x   Hermken Berends Vroessink
Berend Peters Harenberg             1714 x   Geertje Lammers
Jan Berendsen Harenberg           1752 x   Esselina Hendriks Enserink
Hendrik Jansen Harenberg          1796 x   Aaltjen Wentink
Berendina Hendriks Harenberg   1835 x  Jan Frederik Langenberg
Everdina Johanna Langenberg    1864 x Marinus ten Broek
Aleida Berendina ten Broek         1906 x Harmen Garritsen
Marinus Garritsen                         1939 x Gerrie Busser
Alice Garritsen

Literatuur en website
-          H. Borghoff, ‘Jagerslatijn uit Bronsbergen’, Tijdschrift Zutphen 1995
-          E.W. Brouwer en J.H.M. de Raad, Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Bronsbergen  10 te Zutphen, Laagland Archeologie Rapport 103, Zutphen 2017
-          Bert Fermin, ‘IJzertijd op Bronsbergen’, Zutphense Archeologische Publicaties 2016 nr. 118
-          Bennie Jolink, TV-programma Verborgen Verleden, https://www.ntr.nl/Verborgen-Verleden/77/detail/Verborgen-verleden-Bennie-Jolink/NPS_1200672 (18-04-2012) (Helaas op dit moment niet beschikbaar)
-          Jan Kreijenbroek, ‘Het Harenberg’, Bornkrant (2018, Jaargang 37, nummer 7).
-          Evelien Marskamp en Tonny Zweden, Het Harenberg, Van Berkel naar Bronsbergen, Zutphen
-          Jarich Renema, ‘Geef Harenberg een andere kop’, Oostgelders tijdschrift voor Genealogie en Boerderijonderzoek (OTGB) 2012-64.
-          H.N. van Til, Beknopte geschiedkundige en plaatselyke beschryving der stad Zutphen en haar bevallige omstreken, Zutphen 1832

De bronnen van de foto’s
-          Foto 1. De galg op een uitsnede van de inundatiekaart anno 1702 van Augustus Behmhever (in de Hattinger-atlas uit 1754, Nationaal Archief Den Haag via Team Archeologie gemeente Zutphen)
-          Foto 2. De galg bij Bruijnsbergen (uitsnede uit kaart van Bernard Kempinck 1619, coll. Erfgoedcentrum Zutphen, id. SZU006000046)
-          Foto 3. Bronsbergen met ‘geregtplaats’ (uitsnede uit de Hottingeratlas anno 1779, Nationaal Archief Den Haag / Versfelt 2003 via Team Archeologie gemeente Zutphen)
-          Foto 4. Overwelving 1879 - vm. stads- run- en pelmolens gezien vanuit de Rozengracht
(Regionaal Archief Zutphen)

-          Foto 5. Harenberg volgens het Kadaster anno 1832 (bron: HisGis Gelderland via hisgis.nl)
-          Foto 6. Harenberg (Gelders Archief 0510 Diverse charters, 918.0005 Geconcateneerde Waterpassing Rivier de IJssel....; maker C.R.T. Krayenhoff)
-          Foto 7. Uitspanning ’t Harenberg, Bronsbergen (coll. Erfgoedcentrum Zutphen, fotocoll. 3030 Warnsveld, id. SZU002001336)
-          Foto 8. De ijskelder van het Harenberg bij het adres Bronsbergen 28-A (funda.nl)
-          Foto 9. 
'Oud Harenberg, Warnsveld', aquarel van Herman Dijkjans (1889-1966) (Ap van Straaten, www.apvanstraaten.nl)


1. Brouwer en Raad p. 9
2. Gelders Archief, toegang 0405 Huis ter Horst, inv.nr. 756 Extracten uit het Markenboek van Wichmond en Bronsbergen 1663-1743.
3. Regionaal Archief Zutphen (RAZ), Archief 0338 Scholtambt Zutphen, inv.nr. 226 Protocollen van vrijwillige rechtspraak 1614-1624, folio 164v-165r.
4. RAZ, Archief 1 inv.nr. 111, Transcriptie Repertoria op de resoluties van de magistraat
5. www.oudvorden.nl
6. Boerderij- en Veldnamen in Warnsveld, Doetinchem 1991
7. RAZ, Archief 0338 Scholtambt Zutphen, inv.nr. 252 en 253 Tafel op het protocol van opdrachten, vestenissen en andere voluntaire akten
8. RAZ, Archief 1 inv.nr. 111, Transcriptie Repertoria op de resoluties van de magistraat, blz. 196, Landdrost der graavschap, stadhouder en landschijver 20-12-1626
9. Ecal, ORA LAZ Toegang 3021 inv. 640
10. Marskamp en Zweden p. 101
11. RAZ, Archief 0338 Scholtambt Zutphen, inv.nr. 253 Tafel op het protocol van opdrachten, vestenissen en andere voluntaire akten
12. Gelders Archief, Toegang 0005, inv.nr. 463, jaar 1796
13. Gelders Archief, Archief 0124, inv.nr. 6359 Geertruydt Tonissen contra ds. H. Rompius, procesdossier 1687/8
14. Van Til p. 81-82