dinsdag 15 maart 2022

22. Hendrik te Winkel is er helemaal klaar mee (Hengelo, Gld) (1683)

Mijn voorvader Hendrik te Winkel is een van de getuigen in de kwestie Henricus Rumpius, de zaak die Hengelo (Gld) vanaf 1683 een aantal jaren uit de slaap houdt. Met eigen ogen heeft hij gezien hoe deze Hengelose predikant een vrouw lastig valt. Zijn getuigenis wordt hem echter niet in dank afgenomen.

Wat gebeurde er
Het is 17 september 1683. Samen met een aantal andere mannen heeft Hendrik die dag voor de dominee een voorraad turf uit het Gooise veen opgehaald. Zo zal Henricus Rumpius er in de winter warmpjes bij zitten. Het is een dag hard werken, maar ’s avonds worden de mannen op de pastorie aan de Ruurloseweg (die ter hoogte van de huisnummers 28-30 stond) daarvoor rijkelijk onthaald. Er is ruim eten voorhanden, en wijn, bier en brandewijn in overvloed. Ook hun vrouwen mogen aanschuiven. Tot laat in de nacht is het een vrolijke boel.
Het begint al licht te worden als Hendrik te Winkel zich er eindelijk toe kan zetten om naar huis te gaan. Voordat hij vertrekt, wil hij eerst de predikant nog bedanken voor de genoeglijke avond. Hij kan Rumpius echter niet vinden. Maar na een tijdje ziet hij hem: buiten in de struiken bij de waterput, samen met Anneken Klein Lenderink. De dominee heeft zijn armen om haar heen geslagen en kust haar. Hendrik hoort haar roepen: ‘U bent onze pastoor[i], onze leraar, u behoort zulke dingen niet te doen’. Maar dat is voor Rumpius geen reden om te stoppen. En Hendrik ziet daarna nog veel meer.
Later zal hij hierover door Justitie meerdere keren worden ondervraagd.

Waterput in het groen

De reacties op zijn getuigenis
Anneken ontkent alles: ‘Als ik schuldig zou zijn aan wat de boeren hebben verklaard, dan zal ik mijn leven lang geen kind ter wereld brengen.’ Pikant detail: later zal blijken dat Anneken op dat moment zwanger was, of … door de predikant zwanger is geraakt, want acht maanden na de feestelijke avond ziet haar eerste kind het levenslicht.
Ook Annekens familie roert zich. Haar man Arend zegt dat Hendrik te Winkel ‘een onbezonnen verklaring’ over zijn vrouw heeft afgelegd. Haar schoonmoeder Trijne die op boerderij Grote Holte woont (Holterkampsweg 1, buurtschap 't Gooi), begint wild om zich heen te roepen dat Hendrik een mensenmoordenaar en een eerdief is, en dat hij de duivel achterna zal gaan. Dat maakt Hendrik zo kwaad dat hij een advocaat in de arm neemt en wegens laster een rechtszaak tegen haar begint.
Ook Henricus Rumpius zelf zit niet stil. Hij bedient zich van de methode ‘de aanval is de beste verdediging’, en stookt Annekens moeder Hilleken Klein Lenderink en zusje Berentien op om een oude koe uit de sloot te halen. Het leek nooit van belang, maar nu opeens verklaren beide vrouwen dat Hendrik te Winkel vijf jaar eerder, in de herfst van 1678, stenen achterover heeft gedrukt. Destijds had hij een partij stenen van de eigenaar van zijn boerderij gekregen om daarmee een schoorsteenpijp op zijn huis te zetten. Na de klus waren er nog zo’n driehonderd over.
‘Die stenen heeft hij in zijn stal onder het stro verborgen’, zo verklaart Hilleken. ‘Daarna heeft hij ze verkocht, het honderd voor veertien stuiver, en ze ‘s nachts terwijl zijn knecht sliep, op de stortkar geladen, en weggebracht. Hendrik heeft ons destijds te verstaan gegeven er met niemand over te praten. Lang heb ik me daaraan gehouden, maar de huidige aanvallen op onze dominee gaan me zo aan het hart, dat ik nu toch met dit verhaal naar buiten kom.’
En niet in het minst natuurlijk: ook de eer van dochter Anneken is in het geding.

Hof van Gelre, Arnhem (Jan de Beijer (1703-1780))

Nog een rechtszaak
De stoom komt Hendrik te Winkel inmiddels uit de oren. Hij is er helemaal klaar mee. Na dat gescheld van Trijne op Grote Holte nu ook dit nog! Hij laat het er niet bij zitten en begint ook een rechtszaak tegen Hilleken en haar dochter Berentien.
‘Alsof ik stenen zou hebben ontvreemd’, roept Hendrik tijdens de zitting, ‘hoe durven ze zoiets te beweren over een eerlijk iemand als ik. Kunnen ze dat dan bewijzen?’
Als de vrouwen door de rechter worden ondervraagd, verklaren ze eerst dat ze beiden vasthouden aan hun eerdere getuigenis. Maar dan maakt Berentien een enigszins terugtrekkende beweging door eraan toe te voegen dat ze niet zeker weet of die stenen wel allemaal van de boerderij-eigenaar waren. ‘We zijn op verzoek van de pastoor goedwillig naar dat verhoor gekomen, en weten beiden eigenlijk niets ten nadele van Hendriks goede naam en faam te zeggen. We kennen hem niet anders dan als een eerlijk man.’
En zo kwam de aap uit de mouw.
De eigenaar van de boerderij zal later verklaren dat Hendrik de overgebleven stenen mocht houden. De uitkomst van beide rechtszaken kennen we niet.

Nabuurschap
Hendrik en Hilleken zijn buren. Hun boerderijen Klein Lenderink (nu Wevershuis geheten, Winkelsweg 3) en ‘t Winkel (Winkelsweg 1) liggen slechts zo’n 200 meter van elkaar. Zouden zij elkaar vanaf dat moment nog gegroet hebben? Elkaar geholpen hebben bij het oogsten of bij andere piekmomenten in een jaar, bij ziekte of overlijden, zoals het nabuurschap verlangt?
Voor Hendrik te Winkel is de zaak Rumpius nog niet voorbij. In 1687, vier jaar na het incident bij de pastorie, wordt hij nog een laatste keer door Justitie opgeroepen. Die keer moet hij helemaal naar Arnhem om er bij het Hof van Gelre zijn verklaring te herhalen. Het overspel van de predikant met Anneken wordt door dat Hof echter uiteindelijk niet in behandeling genomen. Dit wegens gebrek aan bewijs.

Hendriks achtergrond
Geboren in Ruurlo trouwt Hendrik, die dan nog Hendrik Teunissen genoemd wordt, in 1664 in Hengelo (Gld) met de weduwe Hendersken ter Stege. Ook zij is in Ruurlo geboren. Ze is blijven wonen op de boerderij die ze met haar overleden man Derk Wiemelink bestierde: Wiemelink, Hesselinkdijk 1 in de Hengelose buurtschap Noordink.
In die tijd kent men nog nauwelijks vaste familienamen. Vaak duidt men iemand aan met de naam van de boerderij waarop hij woont. Zo gaat Hendrik al snel nadat hij bij Hendersken ingetrokken is, door het leven als Hendrik Wiemelink. In 1676 zegt Hendrik de pacht van die boerderij op en verhuist met zijn gezin naar ‘t Winkel, Winkelsweg 1 in de buurtschap Dunsborg.
Daardoor heet hij niet lang daarna … Hendrik te Winkel.

De complete kwestie Rumpius staat beschreven in mijn boek Een beerput die geen dootpot werd 

Dit verhaal verscheen eerder in

-          De Olde Kaste, tijdschrift van de Oudheidkundige Vereniging Hengelo (Gld) 2021-04
-          OTGB (Oostgelders Tijdschrift voor Genealogie en Boerderijonderzoek) 2022-01

Mijn afstamming van Hendrik te Winkel
Hendrik Teunissen te Winkel / Wiemelink  1664 x Hendersken Jansen ter Stege
Jantjen Hendriksen te Winkel                    1688 x Stoffel Roelofsen Hellinger
Roelof Stoffel Bannink / Hellinger              1710 x Hendersken Bannink
Janna Bannink                                           1742 x Carel Bannink / Bettink
Mechtelt Bannink                                       1775 x Derk Langwerden
Hendrik Jan Langwerden                           1811 x Leida Evers
Aaltje Langwerden                                     1864 x Derk Jan Wiltink
Aaltje Wiltink                                              1911 x Berend Busser
Gerrie Busser                                             1939 x Marinus Garritsen
Alice Garritsen

[i] De benamingen ‘dominee’ en ‘pastoor’ worden in die tijd beide gebruikt. Het is immers nog niet lang na de Hervorming. Dominee (toen dominus) was de officiële benaming binnen de protestantse kerk. ‘Het volk’ hield uit gewoonte nog lang vast aan het eigenlijk rooms-katholieke ‘pastoor’.

Bron van beide illustraties
1.       Waterput in het groen (Laakdal, België, bron: www.mot.be./resource/WaterWell/watereinde-5-laakdal-belgium?lang=nl)
2.       Hof van Gelre, Arnhem (Jan de Beijer (1703-1780)), bron: www.museumarnhem.nl/collectie/1808/prinsenhof-te-arnhem/)

donderdag 17 februari 2022

21. Boerderij Harenberg en de galg op de Bronsbergen (Warnsveld)

Even ten zuiden van Zutphen liggen de Bronsbergen, een aantal rivierduinen niet ver van de IJssel. Vroeger ook wel Bru(y)nsbergen of Baronsbergen genoemd. Op oude kaarten is het gebied te herkennen aan getekende duintjes. Het hoogste duin is de Harenberg. Dat was ook de naam van de boerderij annex herberg aldaar, en zou de familienaam van de bewoners worden: van mijn voorouders. Daar in de buurt stond een galg van de stad Zutphen.

De duinen
Het rivierduinencomplex zelf wordt al in 794 genoemd. De oudste naamsvermelding dateert uit 1316.[1] In dat jaar kreeg de horige Greta de Hezewolde toestemming om een akker op ‘Brunesberghe’ te verkopen aan een begijn van het Spittaal. Dat Zutphense klooster werd zo genoemd vanwege het naastgelegen hospitaal, gesticht rond 1250. Het had vele bezittingen in de wijde omgeving. Percelen kregen dan ook namen als Bagijnenland, Bagijnenbult en Bagijnenmaatje. Het Bagijnenland vinden we tegenwoordig nog terug als straatnaam in de Zuidwijken van Zutphen. Zo ook de Harenbergweg daar in de buurt. Inmiddels is het gebied door zandwinning sterk aangetast. Circa de helft van de duinen is in de loop der tijd afgegraven. Tot 1989 vielen de Bronsbergen onder Wichmond, destijds gemeente Warnsveld. Daarna onder Zutphen.
            De Harenberg heeft een hoogte van 14,80 m. +NAP. ‘Haar’ betekent zandige hoogte. De galg stond op een duin aan de overkant van de weg die Zutphen met het achterland verbond. Vanwege hoogte en ligging was dit een strategische plek. Zo hoopte de stad bezoekers met criminele plannen af te schrikken. Ook toen al deed men aan misdaadpreventie.


Foto 1. Inundatiekaart anno 1702 van Augustus Behmhever. Bovenaan
staat de galg afgebeeld tussen de duinen.

















De boerderij annex herberg
Het Harenberg – vernoemd naar het hoogste duin – was een boerderij met aanzien. Uit het Verpondingskohier 1643-1651 blijkt dat het ‘Haerenberch’ (met als eigenaar ‘‘t Hospitael’) een van de grootste van Wichmond was. In het Markenboek van Wichmond en Bronsbergen wordt dat bevestigd.[2] Het oorspronkelijke Harenberg stond op het huidige adres Bronsbergen 28-A, Zutphen.
Van zo’n belangrijke hoeve werd de naam door gewezen bewoners nog wel eens meegenomen naar een volgende boerderij. Dat gebeurt ook hier, zoals we nog zullen zien.
           De oudst gevonden vermelding van de boerderijnaam stamt uit 1382. In 1409 en 1509 komt deze voor op perkamenten charters in het archief van klooster Het Spittaal in Zutphen. In 1622 verkopen Tonijs Willemsen en Fenne Jacobs (hun deel van?) de ‘Harenberger Hofstede (Kerspel Wichmond in Brunsbergen an die Capelle)’ aan Berend Jans en Jenneken Jansen.[3] Drie jaar later verkopen die (hun deel van?) de boerderij aan ene Berentie, weduwe van Jan Harenberg. Hier zien we dat de boerderijnaam ook als familienaam gebruikt wordt. Dat was overigens ook in 1594 al het geval.[4]
            Nogal wat boerderijen langs doorgaande wegen hadden destijds een herbergfunctie. Zo ook deze. Het kostte vroeger veel tijd om van A naar B te komen. Zonder tussentijdse overnachting kwam je niet ver. En ook de paarden waren onderweg aan verversing toe.

Nieuwe bewoners
Op enig moment komen er nieuwe bewoners op het Harenberg: mijn voorouders Hendrik Wessels en Fenneken Jansen. Beiden lijken niet verwant aan oudere families met de naam Harenberg. Het paar trouwde in 1635 in Steenderen. Hendrik is opgegroeid op Het Spittaal in Baak. Ook hier dus een lijntje met het gelijknamige Zutphense klooster. Bij de pondschatting anno 1629 is zijn vader Wessel pachter van het ‘Spittaler goed met huis en hof’ (Broekstraat 2, Baak). Fenneken komt van Klein Boerle, Riethuisweg 3, Vorden. Die boerderij wordt gepacht van de familie Van Lennep.[5]
            Ook Hendrik en Fenneken lijken pachters, want nergens is een aanwijzing voor het bezit ervan gevonden. Het gaat ze hoe dan ook niet slecht, want al in 1650 permitteert het paar zich de aankoop van een perceel grond bij boerderij Groot Wantink in Baak. En in 1651 kopen ze daar ook de ‘Gerrit Claessenstede of Grote Slach’. Later volgen delen van Groot Wantink zelf. Totdat deze in 1670 in het geheel in hun bezit is.

                                             Foto 2. De galg bij Bruijnsbergen (Bernard Kempinck 1619)

De galg
Het is niet bekend wanneer de galg is opgericht. De oudst gevonden afbeelding is die op een kaart van Bernard Kempinck uit 1619. Van na de overstroming in 1702 dateert een inundatiekaart waarop ook de galg getekend is. Op een kaart van Hottinger uit 1779 staat de plek aangeduid als ‘geregtplaats’. En op de Rijkswaterstaatkaart van 1884 is in dat perceel een kleine bult getekend die tot 11 m. +NAP reikt, ruim anderhalve meter hoger dan het veld eromheen. Volgens het boek Boerderij- en Veldnamen in Warnsveld [6] ligt daar een perceel met de naam Galgenbult. In de Tafel Warnsveld [7] is tussen 1714 en 1801 bij Wichmond zes keer sprake van een transactie rond bouwland met de naam Galgenland, waaronder eenmaal met de toevoeging ‘naast de weide van het Harenberg’.
           Ophangingen waren destijds volksvermaak. Het voltrekken van een vonnis werd meestal van te voren door een omroeper wijd en zijd bekendgemaakt. Dit met als doel de mensen te waarschuwen voor deze consequentie van bepaalde misdrijven. Zo was een aanstaande ophanging al gauw in de verre omtrek bekend. Wie weet liep op sommige momenten half Zutphen wel uit om zich aan het leedvermaak te vergenoegen. Gezellig een dagje uit. Menig staaltje galgenhumor zal in de herberg over de toog zijn gegaan.
           In veel steden werden executies in de stad voltrokken. Pas daarna werd het (ontbindende) lijk als afschrikwekkend voorbeeld aan een galg in het buitengebied opgehangen. Op de Harenberg zijn echter wel degelijk doodvonnissen voltrokken. Dat valt bijvoorbeeld op te maken uit een besluit van de landdrost van het Graafschap Zutphen uit december 1626 (hertaald):“Omdat vanwege het seizoen de gevangenen niet op de Bronsbergen geëxecuteerd kunnen worden, wordt daartoe de plaats op de Mars ter beschikking gesteld.”[8] Met ‘het seizoen’ zal het natte jaargetijde bedoeld zijn. Toen Zutphen nog ommuurd was, kon je de stad slechts door de vier stadspoorten in of uit. Bij hoogwater werd de poort richting Bronsbergen, de Spittaalpoort, geregeld gesloten.

De familie Harenberg
Ondertussen groeien de beide zonen van Hendrik en Fenneken – Wessel en Peter – op in de buurt van een galg. Ze moeten haast wel de penetrante geuren van de ontbindende lijken hebben opgesnoven en de hongerige kraaien hun rondjes zien vliegen. De twee jongens zijn echter niet voor galg en rad opgegroeid. Ons zijn althans geen wandaden bekend. Beiden zijn netjes getrouwd en hebben voor twee familietakken vol nazaten gezorgd. Al had zoon Peter, mijn voorvader, in zijn latere jaren her en der wel wat betalingsachterstanden.
          Als deze Peter Harenberg in 1677 met Hermken Vroessink/Frucink trouwt, zien we opeens het eerder gekochte Groot Wantink in Baak weer terug (Schooldijk 6). Het jonge paar gaat er wonen. En na een tijdje zien we langzamerhand de naam Groot Wantink veranderen in … Harenberg. Zoals gezegd een teken van aanzien van de vernoemde boerderij in de Bronsbergen.
          En zo zijn er vanaf dat moment twee boerderijen met dezelfde naam op slechts zo’n zes kilometer van elkaar. Het Baakse Harenberg ligt zo’n anderhalve kilometer van het Baakse Spittaal, de boerderij waar Peters grootvader woonde en waar zijn vader Hendrik is opgegroeid. Dat Spittaal wordt in die periode gepacht door Peters neef Peter Teunissen Spittaal. Deze neef Peter schijnt zich bezig te houden met het uitdrijven van duivels. Om die reden mag hij als straf tussen 1690 en 1698 niet aan het Heilig Avondmaal deelnemen.
          En dan gebeurt er iets opvallends. In 1680, slechts drie jaar nadat Peter en Hermken er hun intrek namen, wordt Harenberg/Groot Wantink verkocht. Uit de papieren blijkt dat de boerderij op dat moment gezamenlijk eigendom was van Peters ouders, Peter en broer Wessel, en hun beider echtgenotes.[9] Peter blijft er echter wel wonen, maar nu als pachter. Maar liefst tot 1914 wordt de boerderij door nazaten van Peter en Hermken bewoond. Dit voorouderpaar heeft ook Bennie Jolink van de Achterhoekse popgroep Normaal voortgebracht.

Terug naar de Bronsbergen
Wessel Harenberg, de oudste zoon van Hendrik en Fenneken, blijft op het Harenberg. Hij trouwt in 1670 met ene Fenneken Everts Rijtman uit Marckel (waarschijnlijk Markelo), en, na haar overlijden, in 1677 met Hermken Sweers Rouhof uit Neede. Wessel wordt opgevolgd door zoon Hendrik, zijn derde zoon en een kind uit zijn tweede huwelijk. Die Hendrik trouwt in 1710 met Janna Berends Memelink uit Hengelo (Gld). Hij moet voor 1734 overleden zijn, want in dat jaar hertrouwt Janna met Jacob Roerdink uit Vorden (1694-1751). En zoals vaak gebeurde, wordt Jacob daarna aangeduid met de naam van de boerderij waarop hij vanaf dat moment woont: Jacob Harenberg. Zowel Janna als Jacob sterven in de herfst van 1751, slechts een maand na elkaar.

Foto 3. Bronsbergen met ‘geregtplaats’ (uitsnede uit de Hottingeratlas 
anno 1779).

Sweer Harenberg, een zijpad
De volgende kastelein in het Harenberg is niet Hendriks oudste zoon Sweer (1719-?). Nee, die wordt pachter op Hof Tammink onder Baak, ook een aanzienlijke boerderij. Maar daar gaat kennelijk iets mis, want al na een paar jaar vertrekt hij. Vanaf 1763 pacht hij vervolgens Steenweert in Bronkhorst. Nog steeds een aardige boerderij, maar toch een stapje terug. Ook hier wordt Sweer na de afgesproken periode de pacht opgezegd. Niet voor niets, want die pacht heeft hij dan al een paar jaar niet betaald. Maar ook heeft hij er naar verluidt een woeste bende van gemaakt. Sweer weigert echter te vertrekken. Dat gaat zo ver dat de eigenaren het nodig achten de rechter te vragen of bij de huisuitzetting zo nodig ‘de sterke hand’ aanwezig kan zijn. Nadat hij in 1770 in Bronkhorst op straat is gezet, vertrekt Sweer naar Zutphen. Daar woont hij in ieder geval in 1777 nog. Al zagen we hem tussendoor in 1771 nog wel ruzie maken in Baak. Sweer had zeven kinderen. Ondanks alles heeft zijn stamboom zich uiteindelijk tot in Australië vertakt.

Wessel Harenberg, de vierde en laatste herbergier van deze familie
Dus Hendriks opvolger op het Harenberg is niet deze oudste zoon Sweer, maar de jongste zoon Wessel (1729-na 1802). Toen zijn vader stierf, was Wessel op zijn hoogst vier jaar oud. Hij is dus opgevoed door zijn moeder Janna Memelink en zijn stiefvader Jacob Roerdink/Harenberg.
            Na het overlijden van zijn moeder en stiefvader in 1751 wordt hij, nog maar 22 jaar oud, verantwoordelijk voor herberg én boerderij. Hij trouwt in 1755 met Stevendina Franken (1727-1808) uit Gorssel. Haar ouders baten daar herberg De Roskam uit. Ze krijgen vijf kinderen, onder wie drie zoons. Geen van hen staat echter te springen om het Harenberg voort te zetten. De zonen Hendrik (1756-1839) en Willem (1760-?) worden beiden molenaar te Zutphen. Hun molens staan naast elkaar aan de huidige Molengracht, destijds Molenstraat of (zelfs) Harenbergshoek geheten, langs de oever van de Berkel. Hendrik heeft een water-, olie en pelmolen, en Willem een grutmolen. Zoon Jan (1759-1827) heeft een winkel aan de Turfstraat, naast De Rokende Moor (Turfstraat 13).

Foto 4. Overwelving 1879 - vm. stads- run- en pelmolens gezien vanuit de Rozengracht

Onbekend is wanneer Wessel en Stevendina de herberg hebben verlaten. In 1790 en 1801 wonen ze in ieder geval (al) in Zutphen. Stevendina sterft er in 1808, 80 jaar oud. Haar laatste adres is Gasthuisstraat 137.
            Dat de familie Harenberg weliswaar het Harenberg niet bezat, maar wel land in de buurt, blijkt in 1797 en 1802 als zij enkele percelen aan Albert Wunderink en Anna Gardina Brinkman verkopen. Dat laatste echtpaar zwaait dan inmiddels de scepter in de herberg. 

De families Meijerink en Brinkman
In 1789 blijkt het Harenberg inmiddels eigendom van Zutphen, want in dat jaar en in 1790 verkoopt de stad in twee delen de boerderij-herberg aan Steven Meijerink (1738-1814), kastelein in de Vreedenberg (circa Emmerikseweg 39), en zijn vrouw Aleijda Mekkink (1739-1793). Onderdeel van de koop is de verplichting om de ladder in bewaring te houden die gebruikt wordt bij het transport van de veroordeelden.[10]
               Als Steven in 1796 hertrouwt, vindt er een ‘erfmagescheid’[11] plaats tussen hem en zijn zoon Arend Meijerink (1769-1829), waarbij Arend een gedeelte van het Harenberg krijgt toebedeeld. Hoewel Arend bij zijn overlijden in Zutphen als oud-brouwer te boek staat, lijkt hij in deze herberg niet veel zin te hebben. Al snel verkoopt hij zijn deel aan H. ter Horst en H. Meijerink Gzn. en hun beider vrouwen. En nog diezelfde dag verkopen die dat deel door aan Gerrit Hendrik Brinkman en Albert Wunderink (1772-1847). Deze Albert trouwt in datzelfde jaar 1796 met Anna Gardina Brinkman (1772-1840). En vanaf dan staat dit echtpaar achter de toog.

Uit Scholtambt Zutphen 1796: 20e, 40e en 80e penning (vergelijk de tegenwoordige OZB, red.):
Den 31 december 1796 ontvangen van Garrit Hendrik Brinkman voor de eene helft, en Albert Wunderink en zijne huisvrouw Gardina Brinkman voor de andere halfscheid, beide onder dezen schoutampt woonende, 150 guldens - 15 stuijvers, in voldoeninge van den 40e penning van het erve en goed het Haerenberg genaamd, bestaande in huijs, hof, bouw- en weijdelanden, mitsgaders een hoekjen grond, op den Speldertuijn en den opstal van de schuur op de Bronsbergen, met de Rijsweerd van de weduwe Christiaens aangekocht, onder Wichmond gelegen. Aangekocht van Harmen Ter Horst en Hendrik Meijerink G.Z., beide te Zutphen woonende, voor 6030 guldens, op den 12 december 1796 [12]

Foto 6. Harenberg anno 1801

Het einde van de galg
Medio januari 1795 vlucht onze stadhouder Willem V naar Engeland, een actie die het begin van de Bataafse Republiek markeert. Het bestuurscollege dat daarop tijdelijk het gezag uitoefent - de Provisionele Representanten van het Volk van Holland - doet op 6 maart van datzelfde jaar een verklaring uitgaan met onder meer de volgende inhoud:
“Jarenlange ondervinding leert dat de galgen, raderen en geselpalen die op vele plaatsen langs de openbare wegen staan opgesteld, slechts een treurig schouwspel geven van de barbaarsheid van vroeger tijden. Aandoenlijke harten worden er gevoelig door getroffen, terwijl boosdoeners er niet door van het kwaad worden afgeschrikt. Daarom hebben wij besloten dat alle overblijfselen van deze oude barbaarsheid overal in deze provincie zo snel mogelijk, maar uiterlijk zes weken na afkondiging van dit besluit, moeten worden verwijderd…”
            De galg bij het Harenberg is dus uiterlijk begin 1795 voor de laatste keer gebruikt. Al in 1684 merkte de Zutphense advocaat Jacob Hasebroek op: “Men zegt weleens dat de galg voor ongelukkigen gemaakt is, niet voor schelmstukken.[13] Voor de stakkers dus, niet voor de rakkers. In een reisbeschrijving refereert H.N. van Til in 1832 aan de inmiddels verdwenen galg:
“Men gaat langs een niet onaangename weg tot aan de zogenaamde Brons- of Baronsbergen, zijnde een verzameling van heuvels in de nabijheid van de herberg het Harenberg. Op een van deze heuvels stonden in voormalige tijden de werktuigen voor de lijfstraffelijke rechtspleging, want de rechtbank van de stad liet hier de misdadigers de hen opgelegde straf ondergaan.”[14]

     Foto 7. Uitspanning ’t Harenberg anno 1902

De familie Wunderink
Vanaf 1796 zijn Albert Wunderink en Anna Gardina Brinkman dus de eigenaren van een deel van het Harenberg. Uit de oudste kadasterkaarten (1832) blijkt dat zij op dat moment inmiddels geheel Harenberg bezitten. De eigendom bestaat uit huis en erf met twee bijgebouwen, verderop nog een tweede huis, en een kleine negen hectare land dat zich uitstrekt langs de IJssel. Aan beide zijden van het Harenberg liggen in totaal acht percelen bouwland, weideland, heide, wilgenbos en dennenbos. De afstand tussen huis annex herberg en rivier bedraagt zo’n 40 meter. Evenwijdig aan het lange toegangspad zien we een spits toelopend dennenbos. In het midden daarvan staat een koepel, groot 42 m2. Waarschijnlijk de theekoepel. Albert staat in het Kadaster omschreven als ‘Albertus Wunderink, kastelijn te Warnsveld’. Daarmee weten we zeker dat hij ook de uitbater is.|
            Albert is een broer van Jan Wunderink (1770-1835), de eigenaar/kastelein van herberg De Kap(pe), Rijksstraatweg 166, Warnsveld: anno 2022 een Chinees restaurant. Jan wordt daar opgevolgd door zijn zoon Derk. Jan bezit ook herberg De Laatste Stuiver in Eefde aan de Rustoordlaan, dichtbij de Wunderinklaan. Daar zal zijn zoon Gerret later het stokje van hem overnemen.
            De volgende uitbater van het Harenberg is Alberts zoon Derk Wunderink (1804-1871), samen met zijn vrouw Hendrika Pennekamp uit Toldijk (1811-1852). In hun trouwjaar (1837) ontvangt hij een schenking van zijn ouders. Na Hendrika’s dood hertrouwt Derk in 1854 met de Brummense Judik Zwarthof (1812-1874). In Derks tijd was de herberg enkele jaren een verzamelpunt voor jagers. Dat waren vooral renteniers van de buitenverblijven, maar ook enkele notabelen, boeren en militairen. Zij waren lid van jachtvereniging Oefening en Vermaak, opgericht in 1835. Derk Wunderink beurde van hen per geschonken fles een bepaald bedrag aan ‘kurkengeld’. Soms kreeg hij een gratificatie van tien gulden.
            Derks broer Gerrit Jan (1800-1873) is in 1823 ingetrouwd bij Herberg Den Bremer in Toldijk. Een zoon van deze Gerrit Jan zal later herberg De Dollenhoed onder Barchem onder zijn hoede nemen (anno 2022 Hotel BonAparte).
Samen met de eerdergenoemde herbergen De Kap(pe) in Warnsveld en De Laatste Stuiver in Eefde baten de Wunderinks in de 19e eeuw dus in totaal vijf Achterhoekse herbergen uit. Waarvan Den Bremer in Toldijk zelfs tot op de dag van vandaag.
In de volgende generatie wordt het Harenberg bestierd door Derks zoon Arnoldus Gerard (1841-1905). Hij trouwt met Berendina Oonk (1864-1924) uit het Overijsselse Wijhe. Bij haar overlijden staat als beroep ‘caféhoudster’ genoteerd.

                                             Foto 8. De ijskelder van het Harenberg bij Bronsbergen 28-A


Het einde van Het Harenberg
Als laatste in de rij nemen hun ongetrouwde zoons Derk (1888-1962) en Antonie Gerard (1892-1976) het stokje over. De verantwoordelijkheden lijken dan gesplitst te zijn: Derk staat te boek als landbouwer en Antonie Gerard als kastelein.
             Ooit was er bij het Harenberg een aanlegplaats voor schepen en een tolboom op de weg richting Doetinchem. Ook was er een speeltuin met een doolhof, en waren er zandstrandjes langs de IJssel. Vanuit de theekoepel op de heuvel had men een schitterend uitzicht. Vanaf 1902 stopte de stoomtram van Zutphen naar Emmerik er voor de deur. Geen wonder dat het voor gezinnen uit de stad een geliefde plek was om te verpozen.
             In 1945 is de boerderij annex herberg tijdens de bevrijdingsacties verwoest. Het pand is daarna wel herbouwd, maar geen uitspanning meer geworden. Net als de familie Harenberg heeft ook de familie Wunderink er vier generaties lang de scepter gezwaaid. Van de herberg rest nog slechts de ijskelder.

Foto 9. 'Oud Harenberg, Warnsveld', aquarel van Herman Dijkjans (1889-1966)
(Met dank aan Ap van Straaten, www.apvanstraaten.nl)

Eerdere versies van dit verhaal verschenen in:
- OTGB (Oostgelders Tijdschrift voor Genealogie en Boerderijonderzoek) 2020 nr. 3
- Tijdschrift Zutphen 2022 nr. 1

Meer over de familie Wunderink op Den Bremer in Toldijk kun je lezen in het volgende verhaal
Vier eeuwen herberg Den Bremer in Toldijk

En over Sweer Harenberg op boerderij Steenweert in Bronkhorst in

Mijn afstamming van de Harenberg
Wessel op Spittaal
Hendrik Wessels Harenberg        1635 x   Fenneken Jansen
Peter Hendriks Harenberg           1677 x   Hermken Berends Vroessink
Berend Peters Harenberg             1714 x   Geertje Lammers
Jan Berendsen Harenberg           1752 x   Esselina Hendriks Enserink
Hendrik Jansen Harenberg          1796 x   Aaltjen Wentink
Berendina Hendriks Harenberg   1835 x  Jan Frederik Langenberg
Everdina Johanna Langenberg    1864 x Marinus ten Broek
Aleida Berendina ten Broek         1906 x Harmen Garritsen
Marinus Garritsen                         1939 x Gerrie Busser
Alice Garritsen

Literatuur en website
-          H. Borghoff, ‘Jagerslatijn uit Bronsbergen’, Tijdschrift Zutphen 1995
-          E.W. Brouwer en J.H.M. de Raad, Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Bronsbergen  10 te Zutphen, Laagland Archeologie Rapport 103, Zutphen 2017
-          Bert Fermin, ‘IJzertijd op Bronsbergen’, Zutphense Archeologische Publicaties 2016 nr. 118
-          Bennie Jolink, TV-programma Verborgen Verleden, https://www.ntr.nl/Verborgen-Verleden/77/detail/Verborgen-verleden-Bennie-Jolink/NPS_1200672 (18-04-2012) (Helaas op dit moment niet beschikbaar)
-          Jan Kreijenbroek, ‘Het Harenberg’, Bornkrant (2018, Jaargang 37, nummer 7).
-          Evelien Marskamp en Tonny Zweden, Het Harenberg, Van Berkel naar Bronsbergen, Zutphen
-          Jarich Renema, ‘Geef Harenberg een andere kop’, Oostgelders tijdschrift voor Genealogie en Boerderijonderzoek (OTGB) 2012-64.
-          H.N. van Til, Beknopte geschiedkundige en plaatselyke beschryving der stad Zutphen en haar bevallige omstreken, Zutphen 1832

De bronnen van de foto’s
-          Foto 1. De galg op een uitsnede van de inundatiekaart anno 1702 van Augustus Behmhever (in de Hattinger-atlas uit 1754, Nationaal Archief Den Haag via Team Archeologie gemeente Zutphen)
-          Foto 2. De galg bij Bruijnsbergen (uitsnede uit kaart van Bernard Kempinck 1619, coll. Erfgoedcentrum Zutphen, id. SZU006000046)
-          Foto 3. Bronsbergen met ‘geregtplaats’ (uitsnede uit de Hottingeratlas anno 1779, Nationaal Archief Den Haag / Versfelt 2003 via Team Archeologie gemeente Zutphen)
-          Foto 4. Overwelving 1879 - vm. stads- run- en pelmolens gezien vanuit de Rozengracht
(Regionaal Archief Zutphen)

-          Foto 5. Harenberg volgens het Kadaster anno 1832 (bron: HisGis Gelderland via hisgis.nl)
-          Foto 6. Harenberg (Gelders Archief 0510 Diverse charters, 918.0005 Geconcateneerde Waterpassing Rivier de IJssel....; maker C.R.T. Krayenhoff)
-          Foto 7. Uitspanning ’t Harenberg, Bronsbergen (coll. Erfgoedcentrum Zutphen, fotocoll. 3030 Warnsveld, id. SZU002001336)
-          Foto 8. De ijskelder van het Harenberg bij het adres Bronsbergen 28-A (funda.nl)
-          Foto 9. 
'Oud Harenberg, Warnsveld', aquarel van Herman Dijkjans (1889-1966) (Ap van Straaten, www.apvanstraaten.nl)


1. Brouwer en Raad p. 9
2. Gelders Archief, toegang 0405 Huis ter Horst, inv.nr. 756 Extracten uit het Markenboek van Wichmond en Bronsbergen 1663-1743.
3. Regionaal Archief Zutphen (RAZ), Archief 0338 Scholtambt Zutphen, inv.nr. 226 Protocollen van vrijwillige rechtspraak 1614-1624, folio 164v-165r.
4. RAZ, Archief 1 inv.nr. 111, Transcriptie Repertoria op de resoluties van de magistraat
5. www.oudvorden.nl
6. Boerderij- en Veldnamen in Warnsveld, Doetinchem 1991
7. RAZ, Archief 0338 Scholtambt Zutphen, inv.nr. 252 en 253 Tafel op het protocol van opdrachten, vestenissen en andere voluntaire akten
8. RAZ, Archief 1 inv.nr. 111, Transcriptie Repertoria op de resoluties van de magistraat, blz. 196, Landdrost der graavschap, stadhouder en landschijver 20-12-1626
9. Ecal, ORA LAZ Toegang 3021 inv. 640
10. Marskamp en Zweden p. 101
11. RAZ, Archief 0338 Scholtambt Zutphen, inv.nr. 253 Tafel op het protocol van opdrachten, vestenissen en andere voluntaire akten
12. Gelders Archief, Toegang 0005, inv.nr. 463, jaar 1796
13. Gelders Archief, Archief 0124, inv.nr. 6359 Geertruydt Tonissen contra ds. H. Rompius, procesdossier 1687/8
14. Van Til p. 81-82

dinsdag 26 oktober 2021

20. Een treurig voorval in herberg De Zwaan in Steenderen (1749)

Oudejaarsdag 1749 in Steenderen. Het is een mooie winterdag. Na het middagmaal maakt voorvader Esken Huetink vanuit zijn boerderij een kuiertje naar het dorp, een paar honderd meter verderop. Hij is rond de 65, dus niet meer de jongste. Daarom strijkt hij even neer in ‘het huis waar de Zwaan uithangt’, oftewel herberg De Zwaan, destijds gelegen aan de Dorpsstraat ca. nr 14.
En waarschijnlijk ook voor een praatje en een drankje.
Toevallig komt ook een andere voorvader die dag naar Steenderen, de Hengelose Henricus Eggink. Hij bezoekt er zijn dochter Theodora. Zij is samen met haar man Jurriën Uitermark uitbater van eerdergenoemde herberg die in ieder geval al in 1599 bestaat.
Ook Eggink zal rond de 65 jaar oud zijn geweest.

Esken en Henricus kennen elkaar. Enkele maanden eerder hebben ze elkaar nog getroffen voor de rechtbank in Hengelo. Ze raken aan de praat, maar op een zeker moment neemt het gesprek een minder prettige wending. Volgens de stukken krijgen ze een ‘different’ (een meningsverschil). Dat heeft alles te maken met die rechtszaak. 


Het uithangbord in Steenderen anno nu daar waar ooit café De Zwaan was gevestigd

Henricus Eggink
Net als zijn dochter heeft ook Henricus Eggink een herberg, maar dan in Hengelo (Gld). Een herberg met aanzien, want het is van oudsher de plek waar de heren van de Marke van Hengelo neerstrijken na hun jaarlijkse vergadering in de kerk. En er voor een aardig bedrag verteren. Dat was ook al zo in de tijd dat zijn oom Theodorus Rumpius junior de herberg bestierde.
Van Henricus zelf zijn in het dorp geen sporen meer te vinden. Waar zijn herberg stond, is niet bekend, al weten we dat het in de buurt van de kerk geweest moet zijn. Maar daar waren destijds zo veel herbergen.
Wel kunnen we nog een glimp opvangen van zijn grootvader aan moederskant, de predikant Theodorus Rumpius senior. Zijn naam prijkt tot op de dag van vandaag op de naamlijst van predikanten die hoog in de Remigiuskerk hangt. Met daaronder de naam van diens zoon Henricus, ook predikant, en eveneens een oom van Henricus Eggink. Over deze laatste oom valt het een en ander te vertellen. (Zie daarvoor mijn boek Een beerput die geen doofpot werd)

Naast het bier dat hij brouwt en de brandewijn die hij tapt, heeft Eggink op latere leeftijd meerdere beurdersbaantjes. Veel belastingheffingen worden in die tijd verpacht oftewel aanbesteed. Zo is hij ook ‘pachter van de armenoortjes’. Dat houdt in dat hij alle deuren langs gaat, de armenoortjes bij de mensen int en afdraagt aan de kerk. Dat doet hij niet alleen in Hengelo, maar ook in Steenderen. Een oortje is een munt: het woord leeft nog voort in de uitdrukking ‘het laatste oortje versnoepen’.
Financieel kent Henricus zijn ups en downs. De laatste jaren vooral downs. Een trieste neergang. Zeker voor iemand van wie beide grootvaders destijds op de lijst van rijkste inwoners nog op plaats twee en drie prijkten.

Esken Huetink
Esken is een van de diakens van de Steenderense kerk. In die hoedanigheid heeft hij de verantwoordelijkheid voor de armenoortjes in die plaats. Hij is zijn taak ervoor zorgen dat deze belasting er wordt geïnd, en vervolgens bij de armen terecht komt.
Dit jaar heeft hij lang moeten wachten op de afdracht van het door Henricus opgehaalde geld. Te lang. Op een gegeven moment raakt zijn geduld op. In september 1749 stapt Esken naar de rechtbank in Hengelo en vraagt aan de rechter om Henricus te manen het geld snel af te dragen. Dit op straffe van een verdere rechtsgang. Henricus reageert met te zeggen dat ‘hij niet onwillig is te betalen als de anderen’ (de andere pachters) dat ook zullen doen. Tja.

Oudjaar
Terug naar 31 december 1749, ’s middags zo rond half twee, in herberg De Zwaan te Steenderen. Na de gebruikelijke uitwisseling van beleefdheden en gemeenplaatsen moet Henricus wat van het hart. Het zit hem niet lekker. Hij voelt zich nogal in zijn kuif gepikt door de gerechtelijke stappen die Esken en zijn medediakenen hebben ondernomen en zegt tegen Esken: ‘gij had dat zo sterk niet moeten zo doen’. Oftewel: moest dat nou, zo’n zwaar middel inzetten door mij voor zoiets voor het gerecht te slepen?
Esken reageert met: ‘ik doe het voor de armen’.
Het blijken zijn allerlaatste woorden te zijn. Meteen daarop glijdt zijn pijp uit zijn mond en valt hij dood uit zijn stoel. Een aanwezige getuige heeft Esken nog vastgegrepen en tot Onze Vader gebeden. Dat hielp echter niet, want, zoals deze later verklaart: ‘dat (Esken) zo dood was gebleven’.

'Dat Eggink tegen Huetink hadde gezegd: gij hadt dat zo sterk niet moeten sodoen. Dat Esken Huetink daarop hadde geantwoort: ik doe het voor de armen.'

Waarschijnlijk vanwege het aan Eskens dood voorafgaande ‘different’ is dit gebeuren voor Justitie aanleiding geweest enkele getuigen te horen. Gelukkig maar, want anders hadden wij dit verhaal niet gekend. Zoals viel te verwachten, is voorvader Henricus door de getuigen volledig vrijgepleit van eventuele doodslag.

De familielijnen van bovengenoemde voorvaders komen samen als in 1868 te Steenderen Arend Gerhard Garritsen (1840-1910) en Tonia Johanna Hartman (1847-1911) trouwen. Zij zijn mijn overgrootouders.

Zo zou Eskens pijp er uitgezien kunnen hebben. Op de foto Jacob Alberts Konter (1824-1914)
(bron: Schokker Erf)
                    
Herberg De Zwaan lag aan de Dorpsstraat, op de plek waar nu Supermarkt Aalderink gevestigd is.

Genealogische noot

Mijn afstamming van Esken Huetink
Esken Arends Huetink          1714 x Reindje Jansen
Anna Maria Huetink              1751 x Gerrit Arends
Garrit Garritsen Steenweert  1797 x Catharina Harms Gerritsen
Harmen Garritsen                 1839 x Hendrika Teunissen
Arend Gerhard Garritsen      1868 x  Tonia Johanna Hartman
Harmen Garritsen                 1906 x Aleida Berendina ten Broek
Marinus Garritsen                 1939 x Gerrie Busser
Alice Garritsen

Mijn afstamming van Henricus Eggink
Henricus Jansen Eggink            ca. 1716 x  Megtelt Gielink
Antonius Hendriks Eggink               1749 x  Dersken Garritsen Regelink
Evert Antons Eggink                        1779 x Berendjen Siebelink
Teuntjen Everts Eggink                    1814 x Evert Jan Garritsen Hartman
Teunis Garritsen Hartman                1842 x Johanna Pennekamp
Tonia Johanna Hartman                   1868 x Arend Gerhard Garritsen
Harmen Garritsen                            1906 x Aleida Berendina ten Broek
Marinus Garritsen                            1939 x Gerrie Busser
Alice Garritsen

Eerdere versies van dit artikel zijn verschenen in:
  • De Zwerfsteen, periodieke uitgave van de Historische Vereniging Steenderen, 2013-4 (onder de titel Oudjaar 1749)
  • OTGB - Oostgelders Tijdschrift voor Genealogie en Boerderijonderzoek 2014-4
  • De Olde Kaste, uitgave van de Oudheidkundige Vereniging Hengelo (Gld) 2019-2 (onder de titel Twee voorvaders met een different)

vrijdag 11 juni 2021

19. Aaltje Bannink laat zich niet verleiden (Hengelo (Gld), 1674)

In het voorjaar van 1674 begint de rust in Hengelo (Gld) enigszins weer te keren. De Franse bezetters zijn uit de Achterhoek verdreven. Zo’n anderhalf jaar waren ze er heer en meester. De bewoners zijn berooid en bestolen achtergebleven. Er heerst honger, en Aaltje Bannink heeft drie kindermonden te voeden. Je zou dus verwachten dat ze de etenswaren die de zoon van de dominee haar aanbiedt, met beide handen aangrijpt. Maar dat is niet het geval.

Op boerderij Kinkelerije
Mijn voorouders Jan Bannink en Aaltje Bannink-Hillebrants wonen even ten zuidoosten van Hengelo (Gld), op een boerderij met de naam Kinkelerije. Deze ligt hemelsbreed niet ver van de toenmalige pastorie. En vaak loopt men hemelsbreed, want men doorkruist simpelweg de velden via een karrenspoor: hek open, hek dicht. Wie achteraan loopt, is de hekkensluiter.

Op een avond, het is al donker, komt domineeszoon Henricus Rumpius de boerderij binnenstappen. Vanonder zijn rok haalt hij een doek tevoorschijn met daarin ‘roggemeel, twee rijmen spek en enige eieren’. Hij vraagt Aaltje die aan te pakken en met hem mee te gaan naar de voormalige pastorie midden in het dorp. Die staat leeg sinds het gezin van de dominee is verhuisd naar een nieuw onderkomen aan de Ruurloseweg (ter hoogte van de nummers 28-30). In dat lege huis wil hij ‘zijn wille’ met haar doen. Haar man zal er niets van merken, zo garandeert hij.
Wat moet het voor Aaltje verleidelijk zijn geweest om er op in te gaan. Maar ze is sterk. Henricus staat niets anders te doen dan af te druipen.
Aaltje zal zo rond de 32 jaar oud zijn geweest, Henricus 19.

Niet de enige vrouw
Later probeert hij het nog een paar keer. Bij zijn laatste poging valt hij haar zelfs om de hals, kust haar en belooft ‘een schepel boekweit’ te brengen. Weer weigert Aaltje. Hengelo kan trots op haar zijn: een vrouw in de zeventiende eeuw die zich niet alleen tegen een man teweer durft te stellen, maar zelfs tegen de zoon van de dominee, van een notabele! Wat mij betreft heeft ze voor haar moed een straatnaam verdiend. Maar … die blijkt er al te zijn 😊.
Aaltje Bannink is niet de enige vrouw die door deze zoon van dominee Theodorus Rumpius is lastiggevallen. Als Henricus later – hij is dan inmiddels zelf predikant in Hengelo - op deze verleidingspogingen wordt aangesproken, doet hij het af als ‘lacherij’. Hij was nog maar een kind, zo zegt hij, nog geen 12 jaar oud! Hoe kun je zoiets dan als kwaadaardig betitelen?
Maar Justitie gaat hier niet in mee en laat Aaltje ondervragen.

De Banninkstraat in Hengelo (foto: Frans Geurtsen, bewerking: Joost van Ommen)

Twee verklaringen
Het is inmiddels 1683 als de rechter aan Aaltje vraagt wat er in 1674 precies is gebeurd. Alles wat iemand in zo’n geval verklaart, wordt genoteerd en later uitgewerkt. Dat kan een dag duren. Vervolgens leest de rechter deze schriftelijke verklaring aan de ondervraagde voor en die laatste tekent daarna voor akkoord. Met zijn handtekening verklaart de ondervraagde tevens onder ede dat het verslag waarheidsgetrouw is.
In dit geval heeft die voorlezing en ondertekening niet plaatsgevonden, want Aaltje is in de tussentijd naar Ruurlo afgereisd om haar ziek geworden moeder te verzorgen. Dat heeft de rechter althans onderaan de tekst genoteerd.
Twee dagen later is Aaltje kennelijk alweer terug uit Ruurlo, want dan wordt ze nogmaals verhoord, maar dit keer op verzoek van de dominee. Het verslag hiervan heeft ze wel ondertekend. Dat deed ze met een ‘mark’, een door haar getekend symbool, want Aaltje kan niet schrijven.
In de tekst staat dat de rechter zijn verslag wel degelijk aan Aaltje en haar man heeft voorgelezen, maar dat ze nogal schrok van wat hij had opgeschreven.
Aaltje: ‘Er stond niet wat ik verteld had. Hij had van alles weggelaten en … toegevoegd. De rechter heeft het gebeurde wel tien keer groter gemaakt dan het in werkelijkheid was. De dominee was destijds nog maar een kleine jongen, moet u bedenken. Het was alleen maar een beetje ‘kinderwerk en lacherij’. Dát heb ik verklaard, maar dát hoorde ik in het verslag niet terug. Daarom heb ik geweigerd de eed af te leggen. Toen heeft de rechter me onder druk gezet en gedwongen om te tekenen. Ik moest wel drie keer ‘grijnen’.
De onderrechter nam het nog voor me op. Hij zei: “Dat zijn oude dingen die achter ons liggen.” De rechter reageerde geïrriteerd: “Waarom verdedigt u dat ongewassen personage.” Hij doelde daarmee op de dominee. Toen ben ik weggegaan.
Later die dag vroeg de rechter me opnieuw om de eed af te leggen. “Doe het voor mij”, zei hij. Maar ik heb het niet gedaan.’

‘Dijet is het marck van Aelteijn Bannijnck’ Het mark is blauw omcirkeld.

De werkelijke waarheid
Maar wat is hier de werkelijke waarheid, wat is er echt gebeurd? Door wie is Aaltje onder druk gezet? Door de rechter of door Henricus Rumpius? Heeft de rechter er een onsje meer van gemaakt? Dacht hij op deze manier een mooie verklaring tegen de dominee te hebben? Want hij is de schandalen waardoor de plaatselijke kerkgemeente geplaagd wordt, meer dan zat. Bovendien: de hogere rechter in Zutphen vertrouwt hem en zal dit verslag daarom ook wel zonder Aaltjes handmark voor waar aannemen. Dus … was Aaltje wel naar haar zieke moeder in Ruurlo?
Of is ze bezweken onder de druk van de dominee? Rumpius is immers fanatiek voor zijn ‘eer, goede naam en faam’ aan het vechten. En ook: hij was destijds 19 jaar. Spreek je dan nog van kinderwerk?
Of, een derde mogelijkheid: Aaltje geneert zich voor wat er is gebeurd. Tijdens de voorlezing is haar man er immers bij?

Naar Zutphen
Begin 1684 wordt Aaltje gedagvaard om bij het (hogere) landdrostengerecht in Zutphen een verklaring te komen afleggen. Een dagvaarding houdt in dat je verplicht bent te verschijnen. Doe je dat niet, dan kan dat een behoorlijke boete opleveren. Aaltje komt echter niet.
Maar na een tweede oproep reist ze op 4 maart wel naar Zutphen, samen met haar man. In die tijd een hele reis.
Haar wordt gevraagd: ‘Waarom bent u de vorige keer niet gekomen?’
Aaltje: ‘Ik moest vlas hekelen voor mijn landheer [de eigenaar van hun boerderij]. Bovendien was mijn kind erg ziek, zo ziek dat het de dag erna gestorven is.’
Helaas kunnen we dit laatste niet controleren.

Ze wordt een derde keer gedagvaard, nu voor 18 maart. Maar op 17 maart, de dag ervoor, klopt de dominee bij Aaltje aan de deur. Hij heeft een brief bij zich.
‘Deze brief komt van de rechtbank’, zo zegt hij, en leest hem voor. Er staat in dat ze morgen niet in Zutphen hoeft te verschijnen. Rumpius voegt er nog aan toe: ‘Ik sta voor alle hinder en schade in.’
Aaltje antwoordt echter kordaat: ‘Maar ik ga wel.’
Op 18 maart gaat ze inderdaad naar Zutphen. Bij de rechtbank aldaar wordt haar gemaand om de waarheid te spreken. Dit ‘op poene van verlos van ziel en zaligheid’. Doet ze dat niet, dan zal ze als straf haar ziel en zaligheid kwijtraken. Dan leest de Zutphense rechter voor wat de Hengelose rechter destijds heeft opgeschreven, en vraagt: ‘Klopt dat?’
‘Ja, dat klopt’, antwoordt ze.
De rechter vraagt dan: ‘Heeft dominee Rumpius u na dat verhoor dronken gevoerd met brandewijn of andere sterke wateren en u zo misleid om een andere verklaring af te leggen?’
Aaltje geeft geen antwoord. Dat zegt genoeg.

Meer over deze vroegere Hengelose predikant kun je lezen in mijn boek Een beerput die geen doofpot werd 

Genealogische noot

Mijn afstamming van Aaltje Bannink
Aaltje (Bannink-) Hillebrants            1665 x Jan Bannink
Hendersken Bannink                       1710 x Roelof Bannink / Hellinger
Janna Bannink                                 1742 x Carel Bannink / Bettink
Mechtelt Bannink                             1775 x Derk Langwerden
Hendrik Jan Langwerden                 1811 x Leida Evers
Aaltje Langwerden                           1864 x Derk Jan Wiltink
Aaltje Wiltink                                    1911 x Berend Busser
Gerrie Busser                                   1939 x Marinus Garritsen
Alice Garritsen

Mijn afstamming van de zus van Henricus Rumpius
Eva Helena Rumpius                       1677 x  Johannes Willems Eggink
Henricus Jansen Eggink            ca. 1716 x  Megtelt Gielink
Antonius Hendriks Eggink               1749 x  Dersken Garritsen Regelink
Evert Antons Eggink                        1779 x Berendjen Siebelink
Teuntjen Everts Eggink                    1814 x Evert Jan Garritsen Hartman
Teunis Garritsen Hartman                1842 x Johanna Pennekamp
Tonia Johanna Hartman                   1868 x Arend Gerhard Garritsen
Harmen Garritsen                            1906 x Aleida Berendina ten Broek
Marinus Garritsen                            1939 x Gerrie Busser
Alice Garritsen

Eerdere versies van dit artikel verschenen in:
De Olde Kaste, tijdschrift van de Oudheidkundige Vereniging Hengelo (Gld) 2021-01
OTGB – Oostgelders Tijdschrift voor Genealogie en Boerderijonderzoek 2021-2

zondag 28 februari 2021

18. De tweede Hengelose beeldenstorm (1677)

In 1517, alweer vijf eeuwen geleden, gaf Luther in het Duitse Wittenberg het startschot tot de Reformatie door 95 stellingen op een kerkdeur te spijkeren. Met dit document uitte hij kritiek op de toenmalige Rooms-Katholieke Kerk. Een groeiend aantal mensen vond dat het er te veel om pracht en praal ging. Ook vond men de structuur van die Kerk te hiërarchisch. En je kon er veel te gemakkelijk je zonden witwassen.

De Hengelose Remigiuskerk
Het nieuwe geloof verspreidt zich gaandeweg. De Nederduits Gereformeerde Kerk[1] verdringt de Rooms-Katholieke. Vanaf 1596 worden in deze contreien de pastoors ontslagen die het katholieke geloof niet voor het gereformeerde willen verruilen. Vanaf dat jaar moet ook korte metten gemaakt worden met het rooms-katholieke erfgoed. Alle paapse[2] objecten moeten uit de kerk verwijderd worden. Alle paapse veren moeten worden afgeschud. Dus vernielt men gezagsgetrouw beelden, altaar en andere zaken. Voor afgoderij is geen plaats meer. Deze actie kennen we onder de naam Beeldenstorm.
Niet lang voor dat jaar 1596 is in Hengelo de allereerste gereformeerde predikant aangetreden. Hij zal nog met eigen ogen de fresco’s gezien hebben die de kerk veel later rijk blijkt te zijn. Niet lang na zijn komst moet hij ze echter laten overschilderen.

De Remigiuskerk wordt opnieuw rooms-katholiek
De rooms-katholieken zijn intussen verbannen naar een ondergronds bestaan. Lange tijd dient een kelder in het nabijgelegen Keijenborg als kerkruimte. Een kleine eeuw later wordt deze verruild voor een zogenaamde schuurkerk, eveneens in Keijenborg. Iets wat dan door de overheid oogluikend wordt toegestaan.
Dan valt in 1672 de Duitse Bommen Berend het Graafschap Zutphen binnen. Franse troepen doen hetzelfde. Het ging er in het oosten van het land hard aan toe. Het jaar is zelfs als Rampjaar in de geschiedenisboeken beland: het volk was redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos. Het is het begin van de Hollandse Oorlog (1672-1679).
Aanvankelijk wordt die strijd gewonnen door de Fransen. En daarmee wordt de Franse koning Lodewijk XIV gedurende zo’n anderhalf jaar Hertog van Gelre en Graaf van Zutphen. Als goed katholiek geeft hij het recht op publieke eredienst terug aan zijn geloofsgenoten. En daarmee worden de papen eind augustus 1672 zo’n anderhalf jaar lang weer heer en meester in de Hengelose Remigiuskerk. Daarmee zijn we terug in de situatie van voor de Reformatie.
Nu zijn het de gereformeerden die geen eigen kerk meer hebben. Hen wordt het ook verboden te trouwen of te dopen. Ook hun scholen worden gesloten.
Deze Franse bezetting duurt tot begin 1674. Vanaf dan is de kerk weer van de gereformeerden.

De Remigiuskerk in Hengelo (Gld)

Paaps vandalisme
Het wantrouwen dat de gereformeerden toch al tegen de papen koesteren, wordt door de tijdelijke ‘bezetting’ van hun ‘ware kerk’, nog eens extra aangewakkerd.
De katholieken zelf ervaren het tegendeel. Opnieuw hebben ze afscheid moeten nemen van hun kerk. Weer zijn ze uit het dorp verdreven naar een onofficieel bestaan in Keijenborg.
Mogelijk is frustratie daarover er de oorzaak van dat enkele papen begin november 1677 de Remigiuskerk belagen. Het kerkmeubilair wordt naar buiten gesleept. En wat te zwaar of te groot is om te dragen, zoals het ‘doophuis’, heeft men vernield en in brand gestoken.
Voor de tweede keer is deze kerk daarmee het lijdend voorwerp van een ‘beeldenstorm’. Het is niet onwaarschijnlijk dat daarbij ook de kansel is vernield, en dat de huidige zijn bestaan aan deze paapse actie te danken heeft. Deze preekstoel dateert immers uit de zeventiende eeuw.

Paapse bedreigingen
In deze zelfde periode wordt de gereformeerde Willem Goijcker door de kerkenraad op het matje geroepen. Eerder al is hij door deze raad ‘vermaand’ vanwege het wegblijven uit de kerk, maar dat heeft toen niet geholpen.
Willem weigert echter te verschijnen: “Ik heb daar niet te doen”, zo zegt hij. Hij heeft er niets te zoeken.
Pas later komt het tot een gesprek. Willem wordt daarbij vriendelijk verzocht om samen met zijn huisvrouw weer tot de gereformeerde gemeente terug te keren, de kerk waarvan hij tijdens de Franse bezetting is afgedwaald. Dan vertelt hij wat er werkelijk aan de hand is: “Mijn geloof is niet paaps, maar ik ben bang voor een paar papen. Ze hebben me al een keer behoorlijk te pakken gehad.”
Misschien gaat het wel om dezelfde personen die in de kerk hebben huisgehouden.
De kerkenraad strijkt over zijn hart: “Goed, we zullen u nog wat extra tijd gunnen voor uw ‘wederkering’, maar mocht u dan nog niet naar de kerk komen, dan zullen we ‘voortvaren met uw afsnijding’.” Dan zal men hem als lidmaat schrappen.

Afloop
Tot eind december dat jaar zijn in de kerk geen huwelijken voltrokken. En op de 27e van die maand meteen maar liefst twee, waaronder dat van domineesdochter Eva Rumpius met Johannes Eggink, de zoon van kerkmeester Willem Eggink en predikant te Gendringen (alle drie voorouders van mij). Kennelijk was toen de ergste schade hersteld en zag het er in de kerk weer enigszins toonbaar uit.
De plaatselijke rechter was door het vandalisme zo aangedaan dat hij toezegde de schuldigen op eigen kosten te zullen berechten. Maar ondanks al zijn inspanningen is het hem niet gelukt voldoende betrouwbare getuigen te vinden om er iemand voor te kunnen veroordelen. 

Meer over Johannes Eggink kun je lezen via de volgende link:
De aanstelling van een nieuwe (Hengelose) predikant in Gendringen (1678-1679)

En over het boek over de broer van Eva Rumpius via:
Een beerput die geen dootpot werd 

Genealogische noot
Mijn afstamming van Johannes Eggink en Eva Rumpius
Johannes Willems Eggink                1677 x Eva Helena Rumpius
Henricus Jansen Eggink             ca. 1716 x  Megtelt Gielink
Antonius Hendriks Eggink                1749 x  Dersken Garritsen Regelink
Evert Antons Eggink                         1779 x Berendjen Siebelink
Teuntjen Everts Eggink                    1814 x Evert Jan Garritsen Hartman
Teunis Garritsen Hartman                1842 x Johanna Pennekamp
Tonia Johanna Hartman                   1868 x Arend Gerhard Garritsen
Harmen Garritsen                             1906 x Aleida Berendina ten Broek
Marinus Garritsen                             1939 x Gerrie Busser
Alice Garritsen

Bron o.a.: Toegang 3019 Coll. Retroacta van de Burgerlijke Stand, inv. 912 Trouwboek 1645-1761 incl. lidmatenlijsten en kerkenraadshandelingen (Vindplaats ECAL, Doetinchem)

Een eerdere versie van dit verhaal verscheen in De Olde Kaste 2020-04
------------------------
[1] De latere Nederlandse Hervormde Kerk
[2] Papen is een ander woord voor rooms-katholieken